ECLI:NL:RBMNE:2024:1970

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 maart 2024
Publicatiedatum
2 april 2024
Zaaknummer
23/4764 UTR
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 8:54 AwbArt. 4:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij bezwaar lichte toets kinderopvangtoeslag

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van de Belastingdienst waarin een bedrag van €30.000,- op grond van de Catshuisregeling (lichte toets) was toegekend. Omdat verweerder niet tijdig op het bezwaar besliste, stelde eiseres beroep in tegen het niet tijdig beslissen. Later richtte het beroep zich ook tegen het besluit van 3 januari 2024 waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang. Eiseres heeft immers het compensatiebedrag al ontvangen en kan op grond van de regeling geen verdere compensatie verkrijgen. Het beroep heeft geen concreet en actueel belang, omdat de uitkomst van de procedure niets meer kan wijzigen.

Ook het beroep tegen het besluit van 3 januari 2024 wordt niet-ontvankelijk verklaard om dezelfde reden. De rechtbank wijst het verzoek om dwangsommen af en kent geen vergoeding van proceskosten of griffierecht toe. De uitspraak is gedaan door rechter B. Fijnheer en griffier M.E.C. Bakker op 29 maart 2024.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4764

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 maart 2024 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder,(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

Eiseres heeft beroep ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 8 mei 2023 tegen de lichte toets compensatie kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft vervolgens op 3 januari 2024 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen richt zich nu ook tegen dat besluit. [1]
Op 18 oktober 2023 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft een reactie gegeven op het verweerschrift.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [2]
2. Verweerder heeft aan eiseres in zijn besluit van 3 juni 2021 een bedrag van € 30.000,- toegekend op grond van de Catshuisregeling (de lichte toets). Eiseres stelt dat zij dit bedrag wel, maar het besluit niet heeft ontvangen en zij heeft op 8 mei 2023 alsnog bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Omdat verweerder niet op tijd op het bezwaar heeft beslist, heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift.
3. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang.
4. Procesbelang is het belang dat bestaat bij de uitkomst van de procedure, dus wat de rechtzoekende concreet met het beroep wil of kan bereiken. Dit gaat niet om de vraag of de rechtzoekende gelijk heeft. Het gaat erom dat de rechtzoekende een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als hij/zij dat in de beroepsprocedure zou krijgen. De vraag of er procesbelang is, wordt daarom beantwoord naar de stand van zaken op het moment van het beoordelen van het beroep. De bestuursrechter doet geen uitspraken uitsluitend vanwege de principiële betekenis ervan. [3]
5. Eiseres heeft in het besluit van 3 juni 2021 in het kader van de Catshuisregeling het compensatiebedrag van € 30.000,- ontvangen. Op grond van deze regeling kan niet meer compensatie worden verkregen. Het is de rechtbank daarom niet duidelijk waarom eiser op 23 mei 2023 tegen dit besluit bezwaar heeft gemaakt. De reden hiervan moet worden gevonden in de bezwaargronden. Hierin staat het volgende vermeld:
‘Belanghebbende (verw)acht (dat) deze beschikking in strijd (is) met de betreffende en hieraan ten grondslag gelegde wettelijke bepalingen, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de overige ter zake geldende bepalingen. Belanghebbende is tevens van mening dat de beschikking (zal) berust(en) op een onjuiste feitelijke grondslag’.
6. Nu eiseres het compensatiebedrag heeft verkregen, kan de rechtbank de gemachtigde van eiseres in de bezwaargronden niet volgen. De gemachtigde van eiseres heeft om dwangsommen verzocht, maar kan daar gelet op het vorenstaande geen aanspraak op maken. [4] Eiseres heeft ook geen rechtens relevant belang bij het beroep tegen het tijdig nemen van een besluit, omdat over de uitkomst van de zaak geen onzekerheid bestaat en daarom is het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk.
7. Het beroep richt zich inmiddels ook tegen het besluit van 3 januari 2024. Daarvoor geldt hetzelfde: eiseres heeft geen procesbelang. De door haar aangewende rechtsmiddelen dienen geen enkel doel, omdat zij daarmee niets concreet kan bereiken.
8. Omdat de rechtbank zowel het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen als het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 3 januari 2024 niet-ontvankelijk verklaart, komt eiseres niet in aanmerking voor een vergoeding van de proceskosten. Zij krijgt evenmin het betaalde griffierecht vergoed.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 3 januari 2024 niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:54 van Pro de Awb.
3.Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU1396.
4.Artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb.