De rechtbank Midden-Nederland heeft op 5 april 2024 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van het opzettelijk aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep op twee verschillende data en locaties in Almere. De tenlastelegging betrof circa 3,75 kg hennep op 21 september 2021 en circa 3,5 kg hennep op 6 mei 2021.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs voor het eerste feit wettig en overtuigend was, mede omdat de hennep in kenmerkende zwarte strijkzakken was verpakt en zowel in de auto als woning van verdachte werd aangetroffen. Het alternatieve scenario van de verdediging dat een derde de hennep had achtergelaten werd als onaannemelijk verworpen. Voor het tweede feit werd verdachte deels vrijgesproken van medeplegen, maar wel veroordeeld voor het aanwezig hebben van hennep, gelet op zijn zeggenschap over het pand, aanwezigheid, vingerafdrukken op strijkzakken en tegenstrijdige verklaringen.
De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, het feit dat verdachte eerder was betrapt met hennep, en de maatschappelijke schade door de illegale hennepteelt. Er werd een taakstraf van 180 uren opgelegd, met een vervangende hechtenis van 90 dagen bij niet-nakoming. De redelijke termijn was met ruim zes maanden overschreden, wat in de strafoplegging werd meegewogen.
De rechtbank sprak verdachte vrij van hetgeen meer of anders was ten laste gelegd dan bewezen verklaard. Verdachte werd strafbaar verklaard en veroordeeld conform de artikelen van de Opiumwet en het Wetboek van Strafrecht die op het bewezenverklaarde van toepassing zijn.