ECLI:NL:RBMNE:2024:2058

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 april 2024
Publicatiedatum
5 april 2024
Zaaknummer
16/067290-22 (P)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 5 OpiumwetArt. 3a lid 5 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van witwassen en bezit van hennep wegens onvoldoende bewijs

Op 5 april 2024 heeft de rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van witwassen van een geldbedrag van circa 28.000 euro en het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 1000 gram hennep in haar woning op 21 september 2021.

De officier van justitie achtte het witwassen in de culpoze variant wettig en overtuigend bewezen, maar vorderde vrijspraak voor het bezit van hennep. De verdediging voerde aan dat niet verdachte, maar haar partner verantwoordelijk was voor het aangetroffen geld en de hennep, en dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid daarvan.

De rechtbank oordeelde dat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat verdachte het witwassen en het bezit van hennep heeft begaan. Er waren aanwijzingen dat een deel van het geld spaargeld van de zoon van verdachte betrof en onvoldoende bewijs dat verdachte wist van de overige geldbedragen en de hennep. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van beide tenlasteleggingen.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van witwassen en het opzettelijk aanwezig hebben van hennep wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/067290-22 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 5 april 2024

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [woonplaats] .

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 maart 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. I.M.F. Graumans en van hetgeen verdachte en haar raadsman, mr. G.I. Roos, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht.

TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1
op 21 september 2021 in [plaats] , in een pand gelegen aan de [adres] , samen met een of meer anderen, 28.092,10 euro opzettelijk dan wel culpoos heeft witgewassen;
feit 2
op 21 september 2021 in [plaats] , in een pand gelegen aan de [adres] , samen met een of meer anderen, 1.000 gram hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad.

VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

VRIJSPRAAK

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 tenlastegelegde - met uitzondering van het geld in de spaarpot - wettig en overtuigend te bewijzen in de culpoze variant.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het onder 2 tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet verdachte maar haar partner [medeverdachte] verantwoordelijk is voor de aangetroffen hennep en het aangetroffen geld en dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid hiervan in haar woning.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken.
Uit de inhoud van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgen voldoende aanwijzingen dat een deel van het in de woning van verdachte aangetroffen geld het spaargeld van de zoon van verdachte betreft. Niet blijkt dat dit geld van misdrijf afkomstig is. Naar het oordeel van de rechtbank kan ten aanzien van de overige aangetroffen hoeveelheid geld niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid hiervan in haar woning.
Hetzelfde geldt voor in de woning van verdachte aangetroffen zak hennep. Verdachte heeft verklaard de zak hennep nooit te hebben gezien. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard de zak de avond voor de doorzoeking in de woonkamer te hebben gelegd om de volgende ochtend mee te nemen. Dat verdachte hiervan heeft geweten blijkt niet uit de inhoud van de stukken in het dossier.

BESLISSING

De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart het onder 1 en 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, voorzitter, mrs. V.A. Groeneveld en
M. Rasterhoff, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.S.A. Nahumury, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 april 2024.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 21 september 2021, te [plaats] , althans in Nederland, (in een pand gelegen aan de [adres] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) één of meer voorwerpen(en) te weten meerdere dan wel enig (groot) geldbedrag(en) ter hoogte van (ongeveer) 28.092,10 euro, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd(e) geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (al dan niet eigen) misdrijf;
2
zij op of omstreeks 21 september 2021 te [plaats] , althans in Nederland, (in een pand gelegen aan de [adres] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet, te weten ongeveer 1000 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.