ECLI:NL:RBMNE:2024:2061

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 april 2024
Publicatiedatum
5 april 2024
Zaaknummer
16/067244-22 (P)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 5 OpiumwetArt. 3a lid 5 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor opzettelijk aanwezig hebben en voorbereiden hennepteelt

Op 5 april 2024 heeft de meervoudige kamer van de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 3,5 kilogram hennep en het voorbereiden van hennepteelt in een pand te [plaats].

De officier van justitie had vrijspraak gevorderd, en ook de verdediging betoogde dat niet kon worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de hennep en gerelateerde goederen in het pand. De rechtbank heeft het bewijs zorgvuldig gewogen en geoordeeld dat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Daarom is verdachte vrijgesproken van beide tenlastegelegde feiten. De rechtbank benadrukte dat de verdenking berustte op het aantreffen van hennep en diverse kweekmaterialen in het pand, maar dat onvoldoende bewijs bestond voor de wetenschap en beschikkingsmacht van verdachte over deze goederen.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer, bestaande uit voorzitter R.P.P. Hoekstra en rechters V.A. Groeneveld en M. Rasterhoff, op de openbare terechtzitting van 5 april 2024.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor opzettelijk aanwezig hebben en voorbereiden van hennepteelt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/067244-22 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 5 april 2024

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] , [woonplaats] .

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 maart 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. I.M.F. Graumans en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Arnhem, naar voren hebben gebracht.

TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1
op 6 mei 2021 in [plaats] , in een pand gelegen aan [adres 2] , samen met een of meer anderen, 3.495,73 gram hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad;
feit 2
op 6 mei 2021 in [plaats] , in een pand gelegen aan [adres 2] , samen met een of meer anderen, het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van hennep heeft voorbereid.

VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

VRIJSPRAAK

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap van de aanwezigheid dan wel beschikkingsmacht heeft gehad over de in het pand aan [adres 2] aangetroffen hennep en hennep gerelateerde goederen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken.

BESLISSING

De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart het onder 1 en 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, voorzitter, mrs. V.A. Groeneveld en
M. Rasterhoff, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.S.A. Nahumury, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 april 2024.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 6 mei 2021 te [plaats] , althans in Nederland, (in een pand gelegen aan [adres 2] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet, te weten ongeveer 3.495,73 gram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij, op of omstreeks 6 mei 2021 te [plaats] , althans in Nederland, (in een pand gelegen aan [adres 2] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten
- plantenvoeding en/of een of meer jerrycans en/of flessen groeimiddel en/of
- een of meer slakkenhuisventilatoren en/of strijkzakken en/of plantenpotten (met hennep/aarderesten) en/of irrigatiebuizen en/of sproeipennen en/of koppelstukken en/of slangen en/of verdelers en/of aansluitmateriaal en/of co2 generatoren en/of kweeklampen en/of fancontrollers en/of thermostaatcontrollers en/of schakelborden en/of luchtslangen en/of droognetten en/of koolstoffilters en/of ventilatoren en/of tijdschakelaars en/of kachels en/of knipmachines en/of tentstokken en/of een zeil en/of een stroomkabel en/of een strijkbout en/of een weegschaal,
dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten een of meer ruimtes in het pand gelegen aan [adres 2] ,
waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.