ECLI:NL:RBMNE:2024:2067
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning en afwijzing immateriële schadevergoeding
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn bovenwoning, die door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €337.000 per 1 januari 2021 voor het belastingjaar 2022. Eiser vordert een lagere waarde van €325.000. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de op de zitting ingenomen standpunten, waarbij de heffingsambtenaar een taxatiematrix overlegt met vergelijkbare woningen.
De rechtbank oordeelt dat de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn ondanks verschillen zoals het al dan niet hebben van een balkon of dakterras. De taxatiematrix en toelichting maken aannemelijk dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Diverse door eiser aangevoerde bezwaren, zoals onduidelijkheid over het adres op de aanslag en verschillen in gebruiksoppervlakte, worden door de rechtbank verworpen.
Daarnaast verzoekt eiser namens zich een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk nog geen twee jaar hebben geduurd, waardoor het verzoek wordt afgewezen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.