Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
Minister van Financiën
Inleiding
mr. F.C.T.J. Hunink en de gemachtigden van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Waarom heeft de minister het inzagerecht beperkt?
Waarom is eiser het niet eens met het besluit van de minister?
Wat is het toetsingskader voor de rechtbank?
Heeft de minister het inzagerecht van eiser mogen beperken?
De minister heeft op geen enkele wijze inzicht gegeven in de belangen die aan zijn zijde spelen in het kader van de weigering op de h-grond. Dat dit in zijn geheel niet mogelijk is omdat er daarmee hoe dan ook inzicht wordt gegeven in processen binnen de Belastingdienst die voor de buitenwereld geheim moeten blijven, kan de rechtbank zonder nadere motivering niet volgen. Het had op de weg van de minister gelegen om die motivering (al dan niet onder geheimhouding) met de rechtbank te delen. Anders dan de minister stelt, vindt de rechtbank dat de minister in de belangenafweging ook moet meewegen dat de FSV in strijd is geacht met privacywetgeving. Dat dit gegeven irrelevant is in het kader van het gewicht van het belang aan de zijde van eiser bij inzage, kan de rechtbank niet goed volgen. Doordat de belangenafweging in zijn geheel niet is gemotiveerd kan eiser noch de rechtbank beoordelen hoe de minister de noodzakelijkheid en evenredigheid in dit concrete geval heeft gewogen. Het besluit is in zoverre gebrekkig gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.B.L. Kosterman-Meijer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
10 april 2024.