De werknemer trad in 2019 in dienst als medewerker controller/P&C en werd geconfronteerd met een verstoorde arbeidsrelatie, mede door vermeend grensoverschrijdend gedrag van een leidinggevende en problemen rond re-integratie na ziekte. De werkgever verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens disfunctioneren, verwijtbaar handelen en een verstoorde arbeidsverhouding. De werknemer voerde verweer en stelde dat het opzegverbod tijdens ziekte ontbinding in de weg stond.
De kantonrechter oordeelde dat onvoldoende was aangetoond dat de werknemer ongeschikt was voor zijn functie, omdat geen verbetertraject was doorlopen en de werknemer sinds november 2022 ziek was. Ook was niet gebleken dat de werknemer verwijtbaar zijn re-integratieverplichtingen had geschonden; de loonsancties waren niet ter discussie gesteld, maar ontslag op die grond was niet gerechtvaardigd.
De arbeidsverhouding was ernstig verstoord, maar het opzegverbod tijdens ziekte was van toepassing omdat de werknemer op het moment van het ontbindingsverzoek nog arbeidsongeschikt was. De werkgever slaagde er niet in te bewijzen dat het ontbindingsverzoek los stond van de ziekteperiode. De kantonrechter wees het ontbindingsverzoek af.
Ten aanzien van de loonvordering stelde de kantonrechter vast dat de werknemer zich inspande voor re-integratie vanaf november 2023 en veroordeelde de werkgever tot betaling van een toeslag van 30% van het loon over 52 weken, het achterstallig loon en wettelijke verhogingen en rente. De werkgever werd tevens veroordeeld in de proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.