ECLI:NL:RBMNE:2024:2344

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 april 2024
Publicatiedatum
17 april 2024
Zaaknummer
16.062764-22 (P)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs mishandeling kinderen over lange periode

De rechtbank Midden-Nederland sprak verdachte vrij van de tenlastegelegde poging tot zware mishandeling en mishandeling van haar twee kinderen over een periode van vele jaren. De beschuldigingen waren gebaseerd op verklaringen van de kinderen en enkele letselverklaringen, maar er ontbraken betrouwbare getuigenverklaringen die mishandelingen of de gevolgen daarvan bevestigden.

De rechtbank constateerde dat getuigenverklaringen wisselend en onvoldoende concreet waren, en dat de letselverklaringen ook andere oorzaken van de letsels niet uitsloten. Hierdoor waren de verklaringen onvoldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen en onvoldoende verifieerbaar.

De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was om verdachte te veroordelen. De benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot immateriële schadevergoeding, en ieder draagt zijn eigen proceskosten.

De vrijspraak werd bij verstek uitgesproken na een terechtzitting op 3 april 2024 en het vonnis werd uitgesproken op 17 april 2024 door een meervoudige kamer.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van mishandeling van haar kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.062764-22 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 17 april 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [1981] te [geboorteplaats] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
hierna: verdachte.

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 april 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. D.E. Hooydonk en van hetgeen mr. B. Helmich, advocaat te Lelystad, namens de benadeelde partijen [aangever 1] en [aangever 2] naar voren heeft gebracht.

2.TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er op neer dat verdachte:
1. primair

in de periode 15 december 2007 tot en met 23 september 2020 in Delft en/of Lelystad heeft geprobeerd haar kind [aangever 1] zwaar te mishandelen door haar te slaan en/of stompen, te schoppen en/of trappen, met een mes althans met een scherp voorwerp te snijden en/of een brandende dan wel smeulende sigaret op het lichaam uit te drukken;

1. subsidiair

in de periode 15 december 2007 tot en met 23 september 2020 in Delft en/of Lelystad haar kind [aangever 1] heeft mishandeld door het verrichten van de handelingen zoals hiervoor onder het primair tenlastegelegde is omschreven;

2 primair

in de periode 6 december 2001 tot en met 23 september 2020 in Delft en/of Lelystad heeft geprobeerd haar kind [aangever 2] zwaar te mishandelen door hem te slaan en/of stompen, te schoppen en/of trappen, met een mes althans met een scherp voorwerp te snijden en/of een brandende of smeulende sigaret op het lichaam uit te drukken;

2 subsidiair

in de periode 6 december 2001 tot en met 23 september 2020 in Delft en/of Lelystad haar kind [aangever 2] heeft mishandeld door het verrichten van de handelingen zoals hiervoor onder het primair tenlastegelegde is omschreven.

3.VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.VRIJSPRAAK

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair en subsidiair en het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde.
4.2
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte en haar ex-partner hebben twee kinderen. Nadat de relatie was verbroken, hebben vader en de beide kinderen verdachte beschuldigd van het mishandelen van haar kinderen. Verdachte heeft de verweten gedragingen stellig ontkend.
De verdenking van (poging tot zware) mishandeling door verdachte van haar beide kinderen ziet op een pleegperiode van vele jaren. Blijkens de verklaringen van beide kinderen zouden in deze periode de mishandelingen door verdachte met regelmaat hebben plaatsgevonden en tot zichtbare verwondingen hebben moeten geleid. Evenwel bevinden zich in het dossier geen betrouwbare verklaringen van getuigen die de mishandelingen of de gevolgen daarvan bij de kinderen hebben opgemerkt of die direct na het begaan van de verweten gedragingen door verdachte daarover van de kinderen hebben gehoord. Dit geldt ook voor de vader van de kinderen die in de pleegperiode met verdachte (op dat moment zijn partner) en hun kinderen samenwoonde. De rechtbank constateert dat de getuige [getuige] wisselend en onvoldoende concreet verklaart over (de ernst van) het geweld waarvan zij getuige stelt te zijn geweest en over hetgeen zij daarover zou hebben gehoord, zodat haar verklaring niet aan een bewezenverklaring ten grondslag kan worden gelegd.
De letselverklaringen betreffende beide kinderen kunnen passen bij de verweten gedragingen, maar sluiten een andere oorzaak van de aangetroffen (oudere) letsels niet uit.
Uit voornoemde overwegingen volgt dat de verklaringen van beide aangevers onvoldoende worden ondersteund door bewijsmiddelen uit andere bron en (daardoor) onvoldoende verifieerbaar zijn. De rechtbank sluit niet uit dat tijdens de jeugd van de beide kinderen iets aan de hand is geweest, maar niet kan worden vastgesteld wat precies heeft plaatsgevonden.
Gelet op het hiervoor overwogene is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat verdachte het onder 1 primair en subsidiair en het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en dient verdachte van deze feiten te worden vrijgesproken.

5.BENADEELDE PARTIJEN

5.1
De vorderingen
[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 10.000,-- althans een door de rechtbank te schatten bedrag, bestaande uit immateriële schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde.
[aangever 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 10.000,-- althans een door de rechtbank te schatten bedrag, bestaande uit immateriële schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2 tenlastegelegde.
5.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, gelet op de gevorderde vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair en het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde, gevorderd de beide benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partijen [aangever 1] en [aangever 2] niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering nu verdachte van het onder 1 primair en subsidiair en het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.
Nu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen, zullen kosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

6.BESLISSING

De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart het onder 1 primair en subsidiair en het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Benadeelde partij [aangever 1]
- verklaart [aangever 1] niet-ontvankelijk in haar vordering;
- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;
Benadeelde partij [aangever 2]
- verklaart [aangever 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering;
- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rasterhoff, voorzitter, mr. I.L. Gerrits en mr. B.F. Hammerle, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 april 2024.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat zij:
1
in of omstreeks de periode van 15 december 2007 tot en met 23 september 2020 te Delft en/of te Lelystad, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan haar kind genaamd [aangever 1] meermalen althans één maal, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet- met haar handen en/of een hard voorwerp met kracht tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen de armen en/of tegen de rug, althans het lichaam heeft geslagen en/of gestompt, en/of- met haar voeten met kracht tegen de enkel althans het lichaam heeft geschopt en/of getrapt, en/of- met een mes althans een scherp voorwerp in het been en/of de arm en/of de hand in elk geval het lichaam heeft gesneden, en/of- met (een) brandende dan wel smeulende sigaret(ten) op de armen in elk geval op het lichaam heeft uitgedruktterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
in of omstreeks de periode van 15 december 2007 tot en met 23 september 2020 te Delft en/of te Lelystad, althans in Nederland, haar kind, [aangever 1] , meermalen althans één maal heeft mishandeld door- met haar hand(en) en/of een hard voorwerp met kracht tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen de armen en/of tegen de rug, althans het lichaam te slaan en/of te stompen en/of- met haar voeten met kracht tegen de enkel, althans het lichaam, te schoppen en/of trappen en/of- met een mes althans een scherp voorwerp in het been en/of de arm en/of de hand, in elk geval het lichaam, te snijden, en/of- (een) brandende dan wel smeulende sigaret(ten) op de armen in elk geval op het lichaam uit te drukken;
2
in of omstreeks de periode van 6 december 2001 tot en met 23 september 2020 te Delft en/of te Lelystad, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan haar kind genaamd [aangever 2] meermalen althans één maal, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet- met haar handen en/of een hard voorwerp met kracht tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen de armen, althans het lichaam, heeft geslagen en/of gestompt, en/of- met haar voeten met kracht tegen de enkel, althans het lichaam, heeft geschopt en/of getrapt, en/of- met een mes, althans een scherp voorwerp, in de arm en/of de hand en/of de buik en/of de borst en/of de rug, in elk geval het lichaam, heeft gesneden, en/of- met (een) brandende dan wel smeulende sigaret(ten) op de armen en/of de hand, in elk geval op het lichaam, heeft uitgedruktterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
in of omstreeks de periode van 6 december 2001 tot en met 23 september 2020 te Delft en/of te Lelystad, althans in Nederland, haar kind, [aangever 2] meermalen althans één maal heeft mishandeld door- met haar handen en/of een hard voorwerp met kracht tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen de armen, althans het lichaam, te slaan en/of te stompen, en/of- met haar voeten met kracht tegen de enkel, althans het lichaam, te schoppen en/of te trappen, en/of- met een mes, althans een scherp voorwerp, in de arm en/of de hand en/of de buik en/of de borst en/of de rug, in elk geval het lichaam, te snijden, en/of- (een) brandende dan wel smeulende sigaret(ten) op de armen en/of de hand, in elk geval op het lichaam, uit te drukken.