AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing beroep tegen korting op AOW-pensioen wegens schuldig nalatig
Eiser, geboren in 1956, ontvangt vanaf 2023 een AOW-pensioen waarvan 94% wordt uitgekeerd vanwege een korting van 6%. Deze korting bestaat uit 2% vanwege verblijf in het buitenland en 4% vanwege schuldig nalatig zijn in de jaren 2007 en 2009. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft het bezwaar van eiser tegen deze korting ongegrond verklaard, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat de Svb terecht de korting toepast op grond van artikel 13 vanPro de Algemene Ouderdomswet. De besluiten waarin eiser schuldig nalatig werd verklaard staan in rechte vast omdat er geen bezwaar tegen is ingediend. Eiser heeft geen voldoende gronden aangevoerd om deze vaststelling te betwisten, ook niet ondanks zijn lopende procedures tegen de Belastingdienst.
Het verzoek van eiser om vrijstelling van het griffierecht wordt toegewezen. De rechtbank wijst het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De uitspraak is mondeling gedaan op 28 maart 2024 door rechter P. Lenstra.
Uitkomst: Het beroep tegen de korting op het AOW-pensioen wegens schuldig nalatig wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5099
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
28 maart 2024 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
en
de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (de Svb), verweerder
(gemachtigde: mr. J.Y. van de Berg).
Procesverloop
Bij besluit van 30 mei 2023 (het primaire besluit) heeft de Svb beslist dat eiser vanaf [2023] een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) ontvangt. Eiser ontvangt 94% van het volledige AOW-pensioen.
Bij besluit van 16 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2024. Eiser is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het betalen van griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Eiser hoeft daarom geen griffierecht te betalen.
2. Eiser is geboren op [1956] en ontvangt vanaf [2023] een AOW-pensioen.
3. De Svb heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat terecht een korting van 6% is toegepast op eisers AOW-pensioen. Er is een korting van 2% toegepast omdat eiser van 19 juni 1973 tot en met 1 augustus 1974 in het buiteland heeft verbleven. Er is een korting van 4% toegepast omdat eiser over de jaren 2007 en 2009 schuldig nalatig is verklaard.
4. Eiser voert in beroep aan dat hij het niet eens is met het toegepaste kortingspercentage van 4% per jaar omdat hij niet schuldig nalatig is. Dit is een fout van de Belastingdienst. Eiser wijst erop dat hij nog steeds procedures tegen de Belastingdienst heeft lopen. Verder wijst eiser op het pensioenoverzicht van 13 april 2022 waarin staat dat hij 96% pensioen heeft opgebouwd en dat dit kan oplopen tot 98% als er niets verandert tot [2023]. Volgens eiser is de Svb ten onrechte van dit pensioenoverzicht afgeweken.
5. De Svb moet voor elk kalenderjaar waarin iemand ‘schuldig nalatig’ is geweest om de verschuldigde premie te betalen een korting toepassen van 2% op het AOW-pensioen. Dat staat in artikel 13, eerste lid, onder b, van de Algemene Ouderdomswet (AOW), zoals dat gold ten tijde van de besluitvorming. Dat iemand schuldig nalatig is geweest, moet door de Svb voor ieder jaar eerst zijn vastgesteld in een apart besluit.
6. De rechtbank stelt vast dat de besluiten van 3 juni 2014 en 3 juli 2014, waarin eiser schuldig nalatig is verklaard, in rechte vaststaan omdat niet is gebleken dat eiser bezwaar heeft ingediend. Daarmee staat vast dat eiser in de jaren 2007 en 2009 meer dan 50% schuldig nalatig was. Eiser heeft geen gronden aangevoerd waarom de Svb zich desondanks niet op deze besluiten mocht baseren. Dat eiser een in zijn eigen woorden ‘strijd voert tegen de Belastingdienst’ staat verder los van de besluitvorming van de Svb die in deze procedure voorligt.
7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Ettikhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.