In deze civiele zaak stond de herwaardering van aandelen in twee bedrijven centraal, waarbij de koopprijs na deskundigenonderzoek werd herzien. De rechtbank volgde het deskundigenrapport dat de waarde van de aandelen per 2021 aanzienlijk lager inschatte dan oorspronkelijk was vastgesteld.
De herwaardering leidde tot een verlaging van de hoofdsom van de geldlening van €900.000 naar €429.370. De rechtbank oordeelde dat het risicovrije rendement van 1,8% ongewijzigd moest blijven en dat de toegepaste normalisatiecorrectie voor 2020 terecht was toegepast. De vordering van de gedaagde tot onmiddellijke terugbetaling van de geldlening werd afgewezen omdat de lening niet direct opeisbaar was.
Verder werd bepaald dat de rente vanaf 31 maart 2017 tot 1 januari 2021 over de oorspronkelijke hoofdsom minus aflossingen verschuldigd is, en vanaf 1 januari 2021 over de aangepaste hoofdsom. Proceskosten werden deels gecompenseerd, waarbij de gedaagde de helft van de deskundigenkosten aan de eiseres moet betalen.