ECLI:NL:RBMNE:2024:2554
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inburgeringsplicht B1-route niet in strijd met Gezinsherenigingsrichtlijn en evenredigheidsbeginsel
Eiser betwist het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht waarin het persoonlijk plan inburgering en participatie (PIP) is vastgesteld, waarbij hij verplicht is de B1-route te volgen. Hij stelt dat dit in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn en het evenredigheidsbeginsel, omdat hij reeds op A2-niveau examens heeft afgelegd en zijn echtgenote onder het oude stelsel op A2-niveau is ingeburgerd.
De rechtbank overweegt dat de Wi 2021 het volgen van de B1-route voorschrijft voor gezinsmigranten en dat deze keuze is gebaseerd op de wens om een hoger taalniveau te bereiken ter bevordering van integratie en arbeidsmarktparticipatie. De rechtbank acht het volgen van de B1-route in beginsel niet onredelijk en vindt dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat dit in zijn geval disproportioneel is.
Verder oordeelt de rechtbank dat het overgangsrecht en het moment van verkrijging van het verblijfsrecht leidend zijn voor de inburgeringsplicht, en dat de omstandigheden van eiser, waaronder de langere behandeling van zijn aanvraag, geen bijzondere omstandigheden vormen die een afwijking rechtvaardigen. De rechtbank wijst erop dat de Wi 2021 mogelijkheden biedt om rekening te houden met persoonlijke omstandigheden binnen de B1-route.
Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en blijft het PIP ongewijzigd. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vaststelling van het PIP wordt ongegrond verklaard en de verplichting tot het volgen van de B1-route blijft van kracht.