ECLI:NL:RBMNE:2024:2581

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2024
Publicatiedatum
25 april 2024
Zaaknummer
UTR 22/5906
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van beroep wegens gebrek aan geldige machtiging en afwijzing verzoek om immateriële schadevergoeding

In deze zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland op 22 april 2024 uitspraak gedaan in een beroep dat door de gestelde gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven namens eiseres is ingediend tegen een besluit van de directie van de RDW. Het beroep was gericht tegen de niet-ontvankelijkheid van een bezwaar dat eerder was ingediend tegen vijf primaire besluiten uit 2016, die betrekking hadden op betalingsverplichtingen voor inschrijving in het kentekenregister. De rechtbank heeft vastgesteld dat de gestelde gemachtigde niet over een geldige machtiging beschikte om namens eiseres op te treden. Dit is in strijd met artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht, dat vereist dat een gemachtigde een schriftelijke machtiging overlegt wanneer de rechtbank daarom vraagt. De rechtbank heeft meerdere keren verzocht om een recente machtiging en identiteitsbewijs, maar de gestelde gemachtigde heeft hier niet aan voldaan.

Tijdens de zitting op 22 april 2024 was eiseres niet aanwezig en werd zij vertegenwoordigd door de gestelde gemachtigde. De rechtbank heeft geconstateerd dat de gestelde gemachtigde in het verleden meerdere beroepen heeft ingediend zonder de juiste machtigingen te verifiëren. Dit leidde tot de conclusie dat eiseres geen procesbelang had bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep. De rechtbank heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van door eiseres geleden schade, aangezien zij nooit de intentie heeft gehad om de beroepsprocedure aanhangig te maken.

De uitspraak is openbaar gedaan en partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan. De rechtbank heeft geen proceskostenveroordeling uitgesproken en het betaalde griffierecht niet teruggegeven.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/5906
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2024 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gestelde gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en

De directie van de RDW

(gemachtigde: J. Choufoer - van der Wel).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat door A.F.M.J. Verhoeven (de gestelde gemachtigde) namens eiseres is ingediend op 23 december 2022 tegen het besluit van verweerder van 12 december 2022.
2. Verweerder heeft in het bestreden besluit het bezwaar tegen de 5 primaire besluiten uit 2016 ongegrond verklaard voorzover dat gericht is tegen de betalingsverplichting ten behoeve van inschrijving in het kentekenregister en identificatie van een voertuig. Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat is gericht tegen het afgegeven rapport en de interne WOK-status.
3. Verweerder heeft op 2 juni 2023 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De gestelde gemachtigde heeft op 16 april 2024 een pleitnota aan de rechtbank toegestuurd.
5. De rechtbank heeft het beroep dat namens eiseres is ingediend op 22 april 2024 op zitting behandeld. Eiseres was niet aanwezig en heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gestelde gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
6. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk?
7. Iemand die namens een ander in beroep gaat moet, als de rechtbank daar om vraagt, een machtiging indienen waar in staat dat hij dat namens die ander mag doen. Dit staat in artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als dat niet gebeurt is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom er geen machtiging is ingediend. Het gaat dan om omstandigheden waar eiser niets aan kan doen.
8. De gestelde gemachtigde heeft beroep ingesteld namens eiseres en daarbij de naam van de heer [A] genoemd, als vertegenwoordiger van eiseres. Hij heeft daarbij echter een uittreksel uit het handelsregister overgelegd van [bedrijf 1] B.V., en daaruit blijkt dat [bedrijf 2] B.V. haar bestuurder is. Uit het tevens overgelegde uittreksel van deze laatste onderneming blijkt dat [bedrijf 3] B.V. een van haar bestuurders is, de pagina waarop de andere bestuurder zou staan is niet meegestuurd. Uit het meegestuurde uittreksel van [bedrijf 3] B.V. blijkt niet wie bestuurder is. Ook heeft de gestelde gemachtigde een machtiging van [bedrijf 1] uit maart 2019 overgelegd, die is ondertekend door [A] maar die ziet op procedures tegen de Belastingdienst.
9. In de door verweerder overgelegde stukken heeft de rechtbank een machtiging aangetroffen van ogenschijnlijk weer een andere onderneming, te weten Firma [eiseres] , die is ondertekend door [B] in juli 2016 en gericht is aan Verhoeven voor procedures tegen de RDW.
10. Omdat de rechtbank niet kon verifiëren of eiseres de gestelde gemachtigde bevoegdelijk heeft gemachtigd, heeft zij de gestelde gemachtigde daarom op 29 december 2022 een herstelverzuimbrief gestuurd met allereerst het verzoek om (onder andere) een kopie van de statuten van eiseres in te dienen. Hierop heeft de gestelde gemachtigde niet gereageerd.
11. De rechtbank heeft de gestelde gemachtigde vervolgens op 5 februari 2024 (aangetekend) een brief gestuurd waarin staat dat hij binnen vier weken (onder andere) een schriftelijke recente machtiging moet toesturen, waaruit blijkt dat deze machtiging zich uitstrekt tot het verrichten van proceshandelingen en het aanwenden van rechtsmiddelen met een kopie van een geldig identiteitsbewijs van de ondertekenaar van de machtiging en een kopie van de statuten.
12. De reden dat de rechtbank een recente schriftelijke machtiging en een kopie van een geldig identiteitsbewijs wenst is gelegen in de omstandigheid dat de gestelde gemachtigde bij de rechtbank een veelvoud aan beroepszaken aanhangig heeft gemaakt, en het de rechtbank bij nadere bestudering van de aanwezige machtigingen is gebleken dat zij de beoordeling van de geldigheid daarvan niet kan uitvoeren. Niet alleen zijn de meeste machtigingen zeer oud, maar ook is in sommige gevallen de vermelde datum deels weggevallen of zijn wat vraagtekens gerezen bij de daarop geplaatste handtekeningen. Daar komt bij dat verweerder de rechtbank in een aantal zaken heeft geïnformeerd dat de eiser in die zaken niet op de hoogte was van de door de voormalig gemachtigde geïnitieerde bezwaarprocedure. Verder blijkt uit een aantal uitspraken van rechterlijke instanties in den lande dat de door de voormalig gemachtigde ingediende machtigingen niet juist zijn. Dit alles maakte dat de rechtbank een extra controle heeft willen uitvoeren op het aanwezig zijn van een juiste machtiging.
13. Daarop heeft de gestelde gemachtigde eenzelfde inhoudelijke machtiging overgelegd, maar dan van september 2023 die wel ziet op het voeren van procedures tegen de RDW maar die gericht is aan [C] van [bedrijf 4] B.V.. Uit de daarbij meegestuurde complete uittreksels van het Handelsregister blijkt dat de bestuurders van [bedrijf 2] B.V. zijn [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 5] B.V. De bestuurder van [bedrijf 5] B.V. is [bedrijf 6] . [A] de bestuurder is van [bedrijf 3] B.V. en een kopie van zijn identiteitsbewijs is ook bijgevoegd. Statuten zijn niet meegestuurd. De rechtbank beschikt daarmee nog steeds niet over een juiste recente te verifiëren machtiging van eiseres aan de gestelde gemachtigde.
14. Ter zitting heeft de gestelde gemachtigde toegelicht dat hij samenwerkt met de heer [C] van [bedrijf 4] B.V. en dat hij van [C] de namen en adressen doorkrijgt van de mensen voor wie hij beroep in moet stellen. Dat doet hij dan, zonder te verifiëren of hij daadwerkelijk daartoe door deze mensen gemachtigd is. Hij heeft aangegeven met [C] te hebben afgesproken dat deze hem voorziet van de benodigde machtigingen en meent daarvoor pro forma een beroep te kunnen instellen bij de rechtbank. Op het moment dat de gestelde gemachtigde de machtigingen dan ontvangt, controleert hij deze veelal niet op de juistheid daarvan, maar laat hij ze doorsturen naar de rechtbank. In sommige gevallen neemt zijn secretaresse naar aanleiding van een herstelverzuimbrief contact op met [C] of een van de andere tussenpersonen om een nieuwe machtiging op te vragen. Het is de secretaresse die dit dan doorstuurt aan de rechtbank. De gestelde gemachtigde controleert de inhoud van deze machtigingen niet zelf. Hij snapt ook niet waarom de rechtbank de statuten van een onderneming wenst te ontvangen en hij geeft aan dat het voor het eerst is dat hij om een kopie van een geldig legitimatiebewijs van zijn cliënt wordt gevraagd.
15. Gelet op de gang van zaken in dit dossier, de uitleg van de gestelde gemachtigde op de zitting omtrent zijn werkwijze én het beeld dat inmiddels bij de rechtbank is ontstaan uit het merendeel van de beroepen die door hem zijn ingediend (zie randnummer 16) en die zijn behandeld op de zitting van 22 april 2024, neemt de rechtbank aan dat eiseres nimmer heeft beoogd deze beroepsprocedure aanhangig te maken en daarom geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het namens haar ingestelde beroep.
Van een geldige machtiging van eiseres aan de gestelde gemachtigde is immers niet gebleken.
16. Op de zitting van 22 april 2024 stonden namelijk 41 beroepen gepland, die waren ingediend door de gestelde gemachtigde. Nadat de rechtbank hem meermaals de mogelijkheid heeft gegeven de verzuimen met betrekking tot de machtigingen te herstellen, heeft hij uiteindelijk drie beroepen ingetrokken en zich in 30 zaken onttrokken als gemachtigde. In tien van die 30 zaken heeft de gestelde gemachtigde geen recente (adres)gegevens van de eisers kunnen overleggen. Van de overige 20 eisers (van die 30 zaken met onttrekkingen) die de rechtbank heeft aangeschreven of gebeld, hebben er dertien laten weten niet op de hoogte te zijn van de beroepsprocedure en het beroep ingetrokken. Twee mensen hebben tijdens de zitting aangegeven de gestelde gemachtigde niet te kennen en hun beroepen alsnog ingetrokken. Vijf mensen hebben niet gereageerd.
17. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres geen rechtens te beschermen belang (meer) heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep. Het beroep van eiseres zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard en het wordt niet inhoudelijk behandeld.
Verzoek om immateriële schadevergoeding
18. De rechtbank is verder van oordeel dat in dit geval naar haar aard geen sprake is van door eiseres geleden spanning en frustratie, aangezien eiseres een beroepsprocedure nimmer heeft beoogd en ook anderszins niet kenbaar heeft gemaakt dat het verzoek om schadevergoeding op grond van overschrijding van de redelijke termijn gehandhaafd moet worden. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan het uitgangspunt als neergelegd in de rechtspraak over de overschrijding van de redelijke termijn, en dus is er ook geen reden om te beoordelen of de redelijke termijn van berechting is overschreden.
19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Ook krijgt eiseres het namens haar betaalde griffierecht niet terug.
20. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2024 door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.