Deze uitspraak betreft het beroep dat door de voormalig gemachtigde namens eiser is ingediend tegen een besluit van de RDW over een betalingsverplichting voor inschrijving in het kentekenregister. De rechtbank stelde vast dat de gemachtigde geen recente machtiging had overgelegd en dat eiser niet op de hoogte was van het beroep. Ondanks herhaalde verzoeken om een geldige machtiging, werd deze niet verstrekt en trok de gemachtigde zich terug als vertegenwoordiger.
Op de zitting verklaarde eiser niet te weten waar het beroep over ging en gaf aan de gemachtigde niet te kennen. De rechtbank beoordeelde ambtshalve dat eiser geen procesbelang had bij een inhoudelijke behandeling van het beroep, mede vanwege het ontbreken van kennis en betrokkenheid bij de procedure. Daarnaast wees de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat eiser geen spanning of frustratie had ondervonden en geen beroepsprocedure had beoogd.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken en het betaalde griffierecht werd niet teruggegeven. De uitspraak werd gedaan door rechter M. Eversteijn op 25 april 2024.