Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.Waar de zaak over gaat
3.De beoordeling
€ 135,00
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een vordering van een rechtspersoon naar buitenlands recht, eisende partij, tegen een natuurlijke persoon die zich borg heeft gesteld voor een zakelijke kredietovereenkomst. Gedaagde betwist dat hij de overeenkomst persoonlijk heeft ondertekend en stelt dat de gebruikte methode voor elektronische ondertekening onvoldoende betrouwbaar is.
De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse kantonrechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. De kredietovereenkomst met borgstelling is digitaal ondertekend met een methode die, gelet op het doel en de omstandigheden, voldoende betrouwbaar is. Dit ondanks dat de contactgegevens niet direct aan gedaagde toebehoorden, maar aan een zaakwaarnemer van zijn vader, en dat gedaagde zelf telefonisch contact heeft gehad met de kredietverstrekker.
Gedaagde was middellijk bestuurder en enig aandeelhouder van de vennootschap en oefende daarmee zeggenschap uit, waardoor de borgstelling als zakelijk wordt gekwalificeerd. De vordering tot betaling van de hoofdsom en contractuele rente wordt toegewezen, terwijl de vordering tot verschenen rente wordt afgewezen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom met rente en proceskosten wegens zakelijke borgstelling met een voldoende betrouwbare elektronische handtekening.