Eiser heeft beroep ingesteld tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €270.000,- voor het belastingjaar 2022, naar waardepeildatum 1 januari 2021. Verweerder handhaafde deze waarde na bezwaar en onderbouwde dit met een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met vijf referentiewoningen in de omgeving.
De rechtbank beoordeelde de vergelijkbaarheid van de referentiewoningen en concludeerde dat vier referentiewoningen geschikt waren voor vergelijking, terwijl één woning vanwege renovatie en betere staat buiten beschouwing werd gelaten. De rechtbank vond dat verweerder voldoende inzicht had gegeven in de wijze waarop rekening was gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte, kavelgrootte en onderhoudstoestand.
Eiser voerde meerdere bezwaren aan tegen de gehanteerde referentiewoningen, waaronder het ontbreken van een niet-bewoningsclausule en verschillen in woningtype. De rechtbank verwierp deze bezwaren, stellende dat de woningen op de openbare markt waren verkocht en dat de verschillen in waardering waren meegenomen.
Verder werd geoordeeld dat de gevraagde gegevens over minimaal zes referentiewoningen niet onder de reikwijdte van artikel 40, tweede lid, Wet WOZ vielen, omdat deze woningen niet daadwerkelijk aan de waardebepaling ten grondslag lagen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter J.J. Catsburg op 1 maart 2024.