ECLI:NL:RBMNE:2024:2713
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na fraude met ontslagvergoedingen
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 29 april 2024 de ontnemingsvordering tegen veroordeelde, die onherroepelijk is veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift en gebruik van vervalst geschrift in de periode 2011-2012. De vordering betrof het ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit deze strafbare feiten.
De officier van justitie stelde het voordeel vast op €359.858,00, verminderd met 10% wegens termijnoverschrijding tot €323.872,20. De verdediging betoogde dat veroordeelde slechts katvanger was en dat het voordeel beperkt was tot €93.391,00, eveneens met 10% korting. De rechtbank oordeelde dat het voordeel bestond uit het totaalbedrag dat veroordeelde op zijn rekeningen ontving, inclusief contante opnames, en stelde dit vast op €341.858,00.
De rechtbank erkende een ernstige overschrijding van de redelijke termijn van bijna 11 jaar sinds betekening van de ontnemingsvordering in 2013, mede beïnvloed door aanhoudingsverzoeken van de verdediging. Daarom matigde zij de betalingsverplichting met 10%, waardoor veroordeelde €307.672,20 moet betalen. De rechtbank legde tevens de maximale duur van gijzeling vast op 1080 dagen.
De uitspraak is gebaseerd op artikel 36e Wetboek van Strafrecht en bevestigt de veroordeling van het gerechtshof Arnhem uit 2020. De rechtbank verwierp het verweer dat contante opnames niet tot het voordeel behoren en concludeerde dat de rol van veroordeelde niet beperkt was tot katvanger.
Uitkomst: De rechtbank legt veroordeelde een betalingsverplichting van €307.672,20 op ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, met matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn.