ECLI:NL:RBMNE:2024:2714
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beslissing tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na fraude en matiging betalingsverplichting
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 29 april 2024 de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, voortvloeiend uit een eerdere veroordeling voor medeplegen van valsheid in geschrift en gebruik van vervalst geschrift in de periode 2011-2012.
De verdediging betoogde dat de rechtbank Midden-Nederland niet bevoegd was en dat het voordeel lager moest worden vastgesteld, mede omdat contante opnames niet aan veroordeelde toekwamen. De rechtbank oordeelde dat zij wel bevoegd is, aangezien de ontnemingsvordering een vertakking is van de hoofdzaak die door dezelfde rechtbank was behandeld. Tevens verwierp zij het verweer dat contante opnames niet aan veroordeelde toekwamen.
De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €119.895, gebaseerd op bankmutaties, contante opnames en betalingen aan familie en derden. Gezien de ernstige overschrijding van de redelijke termijn, mede veroorzaakt door het aanhoudingsverzoek van de verdediging, matigde de rechtbank de betalingsverplichting met 10%, waardoor veroordeelde €107.905,50 aan de Staat moet betalen. Tevens werd de maximale gijzelingstermijn vastgesteld op 1080 dagen.
Uitkomst: De rechtbank legt veroordeelde een betalingsverplichting van €107.905,50 op ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.