ECLI:NL:RBMNE:2024:2728

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 april 2024
Publicatiedatum
30 april 2024
Zaaknummer
11015725
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering betaling huurachterstand en ontruiming woning in kort geding

In deze kortgedingprocedure vordert eiseres betaling van een huurachterstand en ontruiming van een woning die sinds 1 april 2021 wordt verhuurd aan gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2. Vanaf oktober 2023 is een huurachterstand ontstaan die opgelopen is tot €9.800,00 tot 1 mei 2024. Gedaagde sub 1 verscheen niet op de zitting, waardoor verstek tegen hem werd verleend.

Tijdens de mondelinge behandeling wijzigde eiseres haar eis ten aanzien van de ontruiming, omdat gedaagde sub 1 de woning al in augustus 2023 had verlaten. De kantonrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang vanwege de aanzienlijke en oplopende huurachterstand. Gezien de huurbescherming en de impact van ontruiming wordt terughoudendheid betracht, maar de huurachterstand van zeven maanden rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming.

De kantonrechter veroordeelt gedaagde sub 2 om binnen veertien dagen na betekening de woning te ontruimen en veroordeelt beide gedaagden tot betaling van de huurachterstand en de huur tot de daadwerkelijke ontruiming. Tevens worden zij veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: Gedaagde sub 2 moet binnen veertien dagen de woning ontruimen en beide gedaagden moeten de huurachterstand en proceskosten betalen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11015725 \ UV EXPL 24-73 RJ/58605
Vonnis in kort geding van 30 april 2024
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. M. Cohen,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
niet verschenen,
2.
[gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
gemachtigde: mr. E.J. Bakker,
gedaagde partijen.
Partijen zullen hierna ‘ [eiseres] ’, ‘ [gedaagde sub 1] ’ en ‘ [gedaagde sub 2] ’ genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 april 2024;
- de mondelinge behandeling van 16 april 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnota van [eiseres] ;
- de wijziging van eis van [eiseres] .
1.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat het vonnis vandaag zal worden uitgesproken.

2.Waar gaat deze zaak over?

2.1.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] huren sinds 1 april 2021 van [eiseres] een woning aan de [adres] in [plaats] voor een bedrag van € 1.400,00 per maand. Vanaf oktober 2023 is er een achterstand ontstaan in de betaling van de maandelijkse huurtermijnen. De huurachterstand bedraagt tot 1 mei 2024 € 9.800,00. [eiseres] vordert in deze procedure – samengevat – betaling van de huurachterstand en ontruiming van de woning.

3.Wat oordeelt de kantonrechter?

Aan [gedaagde sub 1] wordt verstek verleend
3.1.
[gedaagde sub 1] is niet op de mondelinge behandeling verschenen en heeft ook niet op een andere manier gereageerd of om uitstel verzocht. Dit betekent dat aan [gedaagde sub 1] verstek wordt verleend. Zoals in artikel 140 lid 3 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald, wordt tussen alle partijen één vonnis gewezen dat ook ten aanzien van [gedaagde sub 1] als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd. Dat betekent dat [gedaagde sub 1] geen verzet kan aantekenen tegen dit vonnis, maar alleen in hoger beroep kan.
[eiseres] heeft haar eis gewijzigd
3.2.
[eiseres] heeft in de dagvaarding gevorderd om [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen om de woning te ontruimen, maar [gedaagde sub 1] is in augustus 2023 al uit de woning vertrokken. [eiseres] heeft daarom tijdens de mondelinge behandeling haar eis ten aanzien van de ontruiming gewijzigd en vordert alleen om [gedaagde sub 2] te veroordelen om de woning te ontruimen.
Er is sprake van een spoedeisend belang
3.3.
De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als [eiseres] daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval, omdat het hier gaat om een aanzienlijke huurachterstand die steeds verder oploopt.
Beoordelingskader in kort geding
3.4.
Een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming is een maatregel, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet – volgens vaste jurisprudentie – grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een – diepgaand – onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de huurachterstand betalen
3.5.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] aangegeven dat de huurachterstand inmiddels is opgelopen naar € 9.800,00 (zeven maanden). [gedaagde sub 2] heeft aangegeven dat deze huurachterstand klopt. Daarom wordt dit deel van de vordering toegewezen.
[gedaagde sub 2] moet de woning ontruimen
3.6.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben een huurachterstand van zeven maanden. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit de huurovereenkomst. Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de tekortkoming van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de ontbinding van de huurovereenkomst en een ontruiming rechtvaardigen. In het algemeen gaat een kantonrechter namelijk bij een huurachterstand van meer dan drie maanden over tot de ontbinding van de huurovereenkomst. De vordering tot ontruiming zal daarom worden toegewezen.
[gedaagde sub 2] moet binnen veertien dagen de woning verlaten
3.7.
[eiseres] heeft gevorderd dat [gedaagde sub 2] de woning binnen tien dagen na betekening van het vonnis moet verlaten. [gedaagde sub 2] heeft daarvoor meer tijd gevraagd. De kantonrechter houdt rekening met de belangen van beide partijen en zal de ontruimingstermijn daarom bepalen op veertien dagen na betekening van dit vonnis.
Toekomstige huurtermijnen
3.8.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de huur blijven betalen tot en met de maand waarin [gedaagde sub 2] de woning met al haar spullen heeft verlaten. Dit deel van de vordering zal daarom ook worden toegewezen.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de proceskosten van [eiseres] betalen
3.9.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
136,72
- griffierecht
524,00
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.338,72
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
3.10.
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde sub 2] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiseres] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiseres] ,
4.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om te betalen aan [eiseres] :
a. a) € 9.800,00 aan achterstallige huur tot 1 mei 2024,
b) € 1.400,00 per maand vanaf 1 mei 2024 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
4.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de proceskosten van € 1.338,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.S. Elkhuizen-Koopmans en bij haar afwezigheid in het openbaar uitgesproken door mr. J.W. Wagenaar op 30 april 2024.