De zaak betreft een beschikking van de kinderrechter van de Rechtbank Midden-Nederland over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een jonge minderjarige. De Raad voor de Kinderbescherming had een verlenging van de machtiging gevraagd vanwege een melding van Veilig Thuis en politie over mogelijke onveilige thuissituatie.
Tijdens de mondelinge behandeling werden ouders, hulpverleners en betrokken instanties gehoord. De ouders betwistten de melding en stelden dat de moeder niet onder invloed was en dat iemand uit haar netwerk mogelijk een valse melding had gedaan. De reclassering en begeleiders bevestigden een positief beeld van de moeder.
De kinderrechter constateerde dat er onvoldoende concrete informatie was over de gebeurtenissen op 8 april 2024 en dat er twijfel bestond over de juistheid van de melding. De gecertificeerde instelling gaf aan vertrouwen te hebben in terugkeer van de minderjarige naar huis mits veiligheidsafspraken worden nageleefd.
Op basis van deze veiligheidsafspraken, de voorlopige ondertoezichtstelling en de betrokken hulpverlening oordeelde de kinderrechter dat er voldoende zicht is op de veiligheid van de minderjarige. Daarom werd het resterende deel van de machtiging tot uithuisplaatsing afgewezen.
De beschikking werd op 19 april 2024 in het openbaar uitgesproken door kinderrechter G. van de Beek.