ECLI:NL:RBMNE:2024:2924

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 mei 2024
Publicatiedatum
8 mei 2024
Zaaknummer
10848718
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:230a lid 7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek na intrekking huuropzegging bedrijfspand

De stichting huurde sinds 7 maart 2020 een 230a-bedrijfsruimte van de verhuurder. Op 1 augustus 2023 ontving zij een aangetekende brief waarin de verhuurder de huur opzegde per 31 oktober 2023, gevolgd door een ontruimingsaanzegging op die datum.

De stichting verzocht primair om niet-ontvankelijkheid van de verhuurder wegens ongeldige opzegging en subsidiair om verlenging van de ontruimingstermijn met één jaar. Na indiening van het verzoekschrift trok de verhuurder de huuropzegging in en bevestigde dit aan de kantonrechter, waarna de mondelinge behandeling werd geannuleerd.

De kantonrechter oordeelde dat door de intrekking het belang van de stichting bij het verzoek was komen te vervallen en wees het verzoek af. Omdat de huurovereenkomst bleef voortbestaan, was vaststelling van een ontruimingstermijn niet aan de orde. De verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten van de stichting.

Uitkomst: Verzoek tot niet-ontvankelijkheid en verlenging ontruimingstermijn afgewezen wegens intrekking huuropzegging en vervallen belang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 10848718 AE VERZ 23-74
Beschikking van 8 mei 2024
inzake
de stichting
[verzoekster],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen [verzoekster] ,
verzoekende partij,
gemachtigde: mr. A.R. de Jonge,
tegen:
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [verweerder] ,
verwerende partij,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift van 19 december 2023, met producties;
  • de aanvullende producties van [verzoekster] van 15 en 17 april 2024;
  • het e-mailbericht van [verweerder] van 19 april 2024;
  • het e-mailbericht van [verzoekster] van 19 april 2024.
1.2.
Hierna is uitspraak bepaald.

2.De beoordeling

De relevante feiten
2.1.
Met ingang van 7 maart 2020 huurt [verzoekster] van [verweerder] een 230a-bedrijfsruimte aan de [adres] te [vestigingsplaats] . Bij aangetekende brief die op 1 augustus 2023 door [verzoekster] is ontvangen heeft [verweerder] de huur opgezegd tegen 31 oktober 2023. [verweerder] heeft vervolgens bij brief, die op 31 oktober 2023 door [verzoekster] is ontvangen, de ontruiming aangezegd tegen die datum. In het verzoekschrift vraagt [verzoekster] primair om haar niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek omdat de opzegging door [verweerder] niet rechtsgeldig zou zijn gedaan en subsidiair om de ontruimingstermijn te verlengen voor een periode één jaar na de datum waartegen de huurovereenkomst is opgezegd.
2.2.
[verweerder] heeft in april 2024, nadat [verzoekster] het verzoekschrift had ingediend, per brief aan [verzoekster] laten weten dat hij de opzegging van de huurovereenkomst intrekt en de opzegging als niet geschreven en niet verzonden moet worden beschouwd. Op 19 april 2024 heeft [verweerder] aan de kantonrechter bevestigd dat hij de opzegging heeft ingetrokken en medegedeeld dat hij niet zal verschijnen op de mondelinge behandeling. [verzoekster] heeft de kantonrechter daarop verzocht de zaak buiten zitting af te doen en gevraagd om een beschikking. De geplande mondelinge behandeling is daarom niet door gegaan.
Belang verzoek is tijdens de procedure weggevallen
2.3.
Omdat de opzegging van de huurovereenkomst is ingetrokken, heeft [verzoekster] geen belang (meer) bij het verzoek, zodat dit zal worden afgewezen. Nu de huurovereenkomst daarmee in stand is gebleven, komt de kantonrechter niet toe aan het vaststellen van een ontruimingstijdstip, zoals bedoeld in artikel 7:230a lid 7 BW.
[verweerder] wordt veroordeeld in de proceskosten
2.4.
[verweerder] heeft de huuropzegging ingetrokken nadat het verzoekschrift bij de kantonrechter was ingediend. De kantonrechter ziet daarin aanleiding [verweerder] in de proceskosten te veroordelen.
2.5.
De kosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op:
- griffierecht € 128,00
- salaris gemachtigde € 80,00 (1 punt x tarief € 80,00)
- nakosten
€ 40,00
Totaal € 248,00

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst het verzoek af;
3.2.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten aan de zijde van [verzoekster] tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 248,00.
Deze beschikking is gegeven door mr. F.H. Charbon, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2024.