Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De (verdere) procedure
- de bij brief van 20 februari 2024 van [gedaagde] overgelegde bankafschriften als bedoeld onder 4.1 van het tussenvonnis;
- de brief van 27 maart 2024 waarin een mondelinge behandeling is bepaald.
2.De verdere beoordeling
[omschrijving] ’.Tot het vermogen van [minderjarige] behoorde dus in totaal een bedrag van € 2.963,38.
3.De beslissing
- een bedrag van € 1.863,38 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de dag van de dagvaarding totdat het volledige bedrag is betaald;
- een bedrag van € 239,84 aan verschenen rente;