ECLI:NL:RBMNE:2024:3033
Rechtbank Midden-Nederland
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsom wegens niet tijdig herstel kozijnen woning
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht legde op 19 januari 2022 een last onder dwangsom op aan eiser om de kozijnen aan de achterkant van zijn woning te herstellen vóór 1 mei 2022. Eiser maakte hiertegen geen bezwaar, waardoor het besluit formele rechtskracht kreeg. Bij controle op 2 mei 2022 bleek dat de herstelwerkzaamheden niet waren uitgevoerd. Het college besloot daarom op 23 maart 2023 tot invordering van de dwangsom van €5.000.
Eiser betwistte niet dat hij de kozijnen pas op 8 mei 2023 had vervangen, ruim na de gestelde termijn. Hij voerde aan dat het achterstallig onderhoud geen gevaar vormde, dat de handhaving voortkwam uit een burenruzie en dat hij meer herstelwerkzaamheden had verricht dan vereist. Ook stelde hij dat hij vanwege financiële en leveringsproblemen vertraging had en dat hij al was begonnen met herstel toen het invorderingsbesluit werd genomen.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht heeft gehandhaafd en dat de dwangsom terecht is verbeurd. De omstandigheden die eiser aanvoerde waren onvoldoende bijzonder om af te zien van invordering. De rechtbank benadrukte dat eiser tijdig om verlenging had kunnen verzoeken en dat het belang van handhaving en naleving van termijnen zwaarwegend is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser moet de dwangsom betalen zonder teruggaaf van griffierecht.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de invordering van de dwangsom van €5.000 wegens het niet tijdig herstellen van de kozijnen.