Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2024 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats 1] , eisers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
andergebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10. Dit betekent dat voor een omgevingsvergunning voor een tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan voor gebruik dat wel is genoemd in een van die onderdelen, het desbetreffende onderdeel, en niet onderdeel 11, de grondslag voor vergunningverlening moet zijn. [6] Met ingang van 1 november 2014 is de benadering voor tijdelijke vergunningen in de Wabo en het Bor gewijzigd. Het college is vanaf dat moment vrij om bij verlening van een vergunning voor een planologisch strijdig gebruik [7] te bepalen dat de desbetreffende activiteit voor onbepaalde tijd of slechts voor bepaalde tijdsduur is toegestaan. De beperking dat slechts een tijdelijke vergunning kan worden verleend voor een activiteit die voorziet in een tijdelijke behoefte, is komen te vervallen. Het is dus mogelijk om met het oog op een tijdelijk planologisch strijdig gebruik, aan de vergunning een beperkte werkingsduur te geven. Zodra de gegeven termijn van zo’n vergunning verstrijkt, wordt het gebruik van het desbetreffende bouwwerk illegaal en kan wegens de overtreding van het verbod uit artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo handhavend worden opgetreden. De in de vergunning opgenomen termijn kan door het college te allen tijde worden verlengd of er kan voor het desbetreffende planologisch strijdige gebruik opnieuw een omgevingsvergunning worden verleend. [8] Omdat het beleid van het college de uitwerking van artikel 4 van Pro bijlage II bij het Bor betreft is het bovenstaande ook van toepassing op de beleidsregel.