ECLI:NL:RBMNE:2024:3104

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 mei 2024
Publicatiedatum
16 mei 2024
Zaaknummer
UTR 24/3327
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening maatwerkvoorziening Wmo gemeente Houten

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten om een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning toe te kennen. Zij stelt afhankelijk te zijn van zorg die grotendeels komt te vervallen door het besluit en kan deze zorg niet zelf betalen.

De voorzieningenrechter heeft verzoekster verzocht om een nadere toelichting op het spoedeisend belang, maar hierop is niet gereageerd. Hierdoor is onvoldoende gebleken dat er sprake is van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

Daarnaast is niet vastgesteld dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is, hetgeen vereist is om zonder spoedeisend belang toch een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek kennelijk ongegrond is en wijst het af.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt de rechtbank niet in een eventuele bodemprocedure.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang en evident onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3327

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 mei 2024 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. B.J.M. de Leest),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten.

(het college)

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Het verzoek is gedaan in het kader van een bezwaar van verzoekster tegen het besluit van het college van 18 maart 2024 om aan verzoekster een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning toe te kennen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
5. Verzoekster heeft in haar verzoek vermeld dat zij afhankelijk is van zorg, dat deze door het bestreden besluit grotendeels komt te vervallen en dat zij niet in staat is om deze zorg zelf te betalen.
6. Bij brief van 1 mei 2024 heeft de griffier aan verzoekster gevraagd om binnen één week een nadere toelichting op het spoedeisend belang. Verzoekster heeft hierop niet gereageerd.
7. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat verzoekster een spoedeisend belang hebben bij een oordeel over het bestreden besluit.
8. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang hebben, kan de door hen gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is, terughoudend toetsend, van oordeel dat hiervan geen sprake is..
9. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins-Langedijk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.