De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van het ongeboren kind voor de duur van een jaar, met het oog op de eerdere problematiek rondom de moeder en haar drie andere kinderen die onder toezicht staan en uit huis geplaatst zijn. De Raad en de gecertificeerde instelling (GI) maakten zich zorgen over de onbekendheid met de vader en de toekomstige zorgbehoefte van het ongeboren kind.
Tijdens de zitting, die plaatsvond op 25 april 2024, werd het verzoek gehandhaafd door de Raad, terwijl de moeder zich verzette tegen de ondertoezichtstelling. Zij stelde dat de situatie nu anders is dan vijf jaar geleden, dat zij goed samenwerkt met de hulpverlening en dat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor het ongeboren kind.
De kinderrechter overwoog dat de moeder positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt en dat er momenteel geen concrete zorgen zijn omtrent het ongeboren kind. De betrokkenheid van de GI bij de andere kinderen biedt voldoende toezicht en mogelijkheid tot interventie indien nodig. Daarom is het verzoek tot ondertoezichtstelling afgewezen.
De beschikking is op 25 april 2024 uitgesproken en op 21 mei 2024 schriftelijk vastgelegd. Hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.