Op 27 februari 2024 werd in een woning in Utrecht 299 gram hasj en druggerelateerde voorwerpen aangetroffen tijdens een politieonderzoek naar grootschalige drugshandel. De burgemeester besloot de woning voor drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoekers, die met hun kinderen in de woning wonen, maakten bezwaar en vroegen om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting omdat de hoeveelheid softdrugs ruim boven de handelshoeveelheid ligt en verzoekers geen aannemelijke verklaring konden geven dat het alleen voor eigen gebruik was. Ondanks het ontbreken van aanwijzingen voor handel vanuit de woning, was de sluiting noodzakelijk vanwege recidive: in 2020 was ook al een handelshoeveelheid drugs gevonden. Bovendien ligt de woning in een kwetsbare wijk met veel drugscriminaliteit.
De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het belang van de openbare orde en de wijk zwaarder weegt dan het belang van verzoekers. De sluiting is evenwichtig afgestemd op de ernst van de overtreding en verzoekers kunnen tijdelijk elders verblijven. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en de woning blijft gesloten.