Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De standpunten
5.De beoordeling
6.De beslissing
drie maanden;
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling om de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen te verlengen. De ouders zijn het niet eens met de uithuisplaatsing en de verlenging, waarbij de vader stelt dat de kinderen bij hem kunnen wonen mits intensieve hulpverlening wordt ingezet. De moeder erkent dat thuisplaatsing momenteel niet mogelijk is.
De rechtbank heeft de stukken en de mondelinge behandeling met gesloten deuren betrokken in haar oordeel. De kinderrechter concludeert dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, aangezien de kinderen eerst traumagerichte hulpverlening moeten ontvangen en het gezinsonderzoek bij de vader nog niet is gestart. De rechtbank erkent de zorgen van de ouders over de vertraging in het hulpverleningstraject en het gezinsonderzoek.
Om de voortgang te waarborgen, wordt de machtiging slechts voor een korte periode van drie maanden verlengd, zodat de situatie kan worden gemonitord. Tevens wordt de behandeling van het verzoek aangehouden tot een nader te bepalen zitting vóór 14 juni 2024, waarbij de GI wordt verzocht de rechtbank tijdig te informeren over de stand van zaken.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het hoger beroep is mogelijk via het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen voor drie maanden vanwege het nog niet afgeronde gezinsonderzoek en noodzakelijke hulpverlening.