ECLI:NL:RBMNE:2024:3217

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 mei 2024
Publicatiedatum
24 mei 2024
Zaaknummer
563209
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 3:310 lid 1 BWArt. 6:119 BWArt. 4 EEX-verordening nr. 1215/2012Art. 4 lid 1 sub b Rome I-verordening nr. 593/2008
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid dierenarts bij aankoopkeuring paard afgewezen wegens geen tekortkoming

Eiseres, een Japanse dressuuramazone, kocht een paard na een aankoopkeuring door dierenarts [bedrijf 1] die een positief advies gaf. Kort na aankomst in Nederland bleek het paard kreupel. Eiseres vorderde schadevergoeding wegens een onjuist positief advies, maar de rechtbank oordeelde dat de dierenarts niet tekort was geschoten.

De rechtbank stelde vast dat de dierenarts de röntgenologische overvulling in het hoefgewricht niet had opgemerkt, maar dat dit niet leidde tot een tekortkoming omdat het klinisch onderzoek geen afwijkingen toonde en een overvulling bij oudere paarden niet ongewoon is. Ook het niet bestuderen van MRI-beelden werd niet als tekortkoming gezien, omdat de dierenarts mocht vertrouwen op de Portugese dierenarts die de beelden beoordeelde.

De rechtbank oordeelde dat er een overeenkomst van opdracht tussen eiseres en [bedrijf 1] bestond, dat eiseres ontvankelijk was in haar vordering en dat de verjaringstermijn niet was verstreken. De vorderingen tot schadevergoeding en betaling van buitengerechtelijke kosten werden afgewezen. Eiseres werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiseres af en veroordeelt haar in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/563209 / HA ZA 23-617
Vonnis van 29 mei 2024
in de zaak van
[eiseres],
te [plaats] (Japan),
eiseres,
advocaat: mr. S.A. Wensing,
tegen
[bedrijf 1] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
advocaat: mr. I.E. Boissevain.
Partijen worden hierna [eiseres] en [bedrijf 1] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 4 september 2023, met producties 1 tot en met 15;
  • de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 3;
  • de akte overlegging producties van [eiseres] , met producties 16 tot en met 26;
  • de mondelinge behandeling van 8 maart 2024, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
  • de spreekaantekeningen van [eiseres] ;
  • de spreekaantekeningen van [bedrijf 1] .
1.2.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
Voor de koop van het paard [naam] heeft [eiseres] een aankoopkeuring laten verrichten door [bedrijf 1] . [bedrijf 1] heeft een positief aankoopadvies verstrekt en vervolgens heeft [eiseres] [naam] gekocht. Na de koop en het vervoer van Portugal naar Nederland bleek [naam] kreupel. [eiseres] vordert schadevergoeding, omdat [bedrijf 1] volgens haar geen positief aankoopadvies had mogen verstrekken. [eiseres] krijgt ongelijk. De rechtbank wijst haar vorderingen af.
3. De achtergrond van de zaak
3.1.
[eiseres] is een Japanse dressuuramazone (paardensport) die haar paarden traint en stalt bij [stal] , een dressuurstal. Bij de zoektocht naar een paard om deel te nemen aan de Olympische Spelen van 2020 in Tokio kwam [naam] in beeld. Dit paard presteerde op internationaal Grand Prix-niveau en stond in Portugal.
3.2.
Op 3 april 2018 is [naam] klinisch gekeurd in Portugal door dierenarts drs. [dierenarts 1] . Hij was werkzaam bij [bedrijf 2] . Die vennootschap is per augustus 2019 beëindigd door een fusie; [bedrijf 1] is de verkrijgende rechtspersoon. [dierenarts 1] heeft een positief aankoopadvies verstrekt, waarna [eiseres] [naam] op 12 april 2018 voor € 1.150.000,- van de Spaanse verkoper [A] heeft gekocht. Kort nadat [naam] in Nederland aankwam, bleek het paard kreupel.
3.3.
[eiseres] heeft [A] aangesproken voor de geleden schade door de aankoop van [naam] . Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in het arrest van 17 oktober 2023 de koopovereenkomst tussen [eiseres] en [A] vernietigd. [A] moet de koopsom en € 14.153,36 aan gemaakte kosten (terug)betalen aan [eiseres] .
3.4.
Op 15 november 2022 heeft [eiseres] ook [dierenarts 1] aansprakelijk gesteld voor de geleden schade door het verstrekken van een positief aankoopadvies. [eiseres] is vervolgens deze procedure gestart tegen [bedrijf 1] .

4.De beoordeling

De rechtbank is bevoegd en Nederlands recht is van toepassing
4.1.
Deze zaak heeft internationale aspecten omdat [eiseres] in Japan woont, de verkoper Spaans is, [naam] op het moment van de (ver)koop en aankoopkeuring in Portugal verbleef en [bedrijf 1] in Nederland is gevestigd. De Nederlandse rechter is bevoegd van deze zaak kennis te nemen, omdat [bedrijf 1] als gedaagde partij in Nederland is gevestigd (art. 4 EEX Pro-verordening, nr. 1215/2012). Omdat [bedrijf 1] als dienstverlenende partij in Nederland is gevestigd, is Nederlands recht op de overeenkomst van toepassing (art. 4 lid 1 sub b Rome Pro I-verordening, nr. 593/2008).
[eiseres] heeft een procesbelang
4.2.
In de eerste plaats stelt [bedrijf 1] dat [eiseres] geen belang heeft bij haar vordering, omdat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de koopovereenkomst tussen [eiseres] en [A] heeft vernietigd en [A] de koopsom en gemaakte kosten moet (terug)betalen aan [eiseres] . Dit verweer slaagt niet.
4.3.
[eiseres] heeft ter zitting toegelicht dat het tenuitvoerleggen van het arrest in Spanje moeilijkheden met zich meebrengt; er is een gebrek aan verhaalsmogelijkheden bij [A] . Zo zou [A] geen bedrijfsactiviteiten meer hebben verricht sinds de verkoop van [naam] aan [eiseres] . [bedrijf 1] heeft dit niet weersproken. De rechtbank oordeelt daarom dat de kans bestaat dat [eiseres] niet haar volledige schade kan verhalen op [A] , zodat zij belang heeft bij haar vordering tegen [bedrijf 1] . [eiseres] is dus ontvankelijk in haar vordering.
Het beroep op verjaring slaagt niet
4.4.
Daarnaast stelt [bedrijf 1] dat de vordering is verjaard. De aankoopkeuring vond plaats op 5 april 2018 en [bedrijf 1] is pas op 4 september 2023 gedagvaard. Verder betwist [bedrijf 1] dat zij de aansprakelijkstelling van 15 november 2022 heeft ontvangen. Daarmee is de verjaringstermijn van vijf jaar verstreken, aldus [bedrijf 1] . Ook dit verweer slaagt niet.
4.5.
Voor het starten van de verjaringstermijn moet de benadeelde daadwerkelijk bekend zijn met de schade en met de persoon die daarvoor aansprakelijk is (artikel 3:310 lid 1 BW Pro). Kort na de aankoopkeuring van 3 april 2018 was [eiseres] bekend met het feit dat [naam] kreupel was. Zij heeft [naam] vervolgens door meerdere dierenartsen laten onderzoeken, waaronder paardenarts [paardenarts] . [paardenarts] concludeerde in zijn brief van 25 mei 2020 (productie 11 bij dagvaarding) dat op de röntgenopnames van 3 april 2018 een overvulling was te zien in het rechterhoefgewricht van [naam] . Dat is een te vol hoefgewricht, waardoor het paard volgens [paardenarts] een hoge kans op kreupelheid heeft.
Dit betekent dat [eiseres] pas vanaf 25 mei 2020 bekend was met de (mogelijk) aansprakelijke persoon, namelijk ( [bedrijf 1] als werkgever van) dierenarts [dierenarts 1] die deze röntgenopnames heeft gemaakt en beoordeeld. Dat zij eerder bekend was met de mogelijke aansprakelijkheid van [dierenarts 1] en/of [bedrijf 1] is niet gesteld of gebleken. De verjaringstermijn is dus gestart vanaf 25 mei 2020 en niet vanaf 3 april 2018. Dat betekent dat de dagvaarding is ingediend voordat de verjaringstermijn van vijf jaar is verstreken.
4.6.
Zelfs als de verjaringstermijn zou zijn gestart vanaf 3 april 2018, blijft het oordeel onveranderd. De verjaring is namelijk gestuit door de aansprakelijkstelling van 15 november 2022. [eiseres] heeft de aansprakelijkstelling per e-mail verzonden naar het e-mailadres [e-mailadres] Uit productie 8 bij dagvaarding blijkt dat [dierenarts 1] met dit e-mailadres heeft gecommuniceerd met drs. [dierenarts 2] , de Portugese dierenarts die het paard begeleidde, en de heer [B] van [stal] , die [eiseres] bijstond bij de zoektocht naar en aankoop van een paard. Bovendien heeft [dierenarts 1] ter zitting verklaard dat hij dit e-mailadres in gebruik heeft en regelmatig bekijkt. De rechtbank oordeelt daarom dat [eiseres] redelijkerwijs mocht aannemen dat [dierenarts 1] op dit e-mailadres bereikbaar was en dat de aansprakelijkstelling van 15 november 2022 door hem is ontvangen. Deze e-mail is te beschouwen als een stuitingshandeling. In die e-mail heeft [eiseres] zich namelijk ondubbelzinnig het recht op schadevergoeding voorbehouden. Het beroep op verjaring slaagt dus niet.
[bedrijf 1] heeft een overeenkomst gesloten met [eiseres]
4.7.
[bedrijf 1] betwist dat zij een overeenkomst met [eiseres] heeft gesloten. [bedrijf 1] voert aan dat [B] de opdracht tot de aankoopkeuring van [naam] heeft gegeven en niet [eiseres] . Daarmee kan [eiseres] volgens [bedrijf 1] geen rechten ontlenen aan het keuringsrapport. De rechtbank verwerpt dit standpunt.
4.8.
Hoewel op het keuringsrapport [stal] als koper van het paard en als cliënt van de dierenartsenpraktijk is aangeduid, was [dierenarts 1] ermee bekend dat [stal] niet de koper van [naam] zou zijn. [dierenarts 1] heeft bij e-mail van 9 mei 2023 op de vragen van de advocaat van [B] in de procedure bij de rechtbank Oost-Brabant namelijk geantwoord (productie 15 bij dagvaarding):

Wat wist u over de buyer van [naam] ? Dat betrof een Japanse cliënte van [stal] .
Wist u dat het niet ging om een paard van [stal] ? Dat was bekend. (…)’
Daarnaast heeft [dierenarts 1] ter zitting (nogmaals) verklaard dat hij er al tijdens de keuring van op de hoogte was dat de koper een Japanse cliënt van [stal] was, maar dat hij niet wist wie dat was. Volgens hem komt het vaker voor dat de dierenarts de potentiële koper niet kent. In dat geval worden de gegevens van de contactpersoon opgenomen als aanspreekpunt. Later is de tenaamstelling van de factuur aangepast naar [eiseres] . Gezien het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is van een overeenkomst van opdracht tussen [bedrijf 1] en [eiseres] .
[bedrijf 1] is niet tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst
4.9.
[eiseres] vordert een verklaring voor recht dat [bedrijf 1] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht en schadevergoeding, nader op te maken bij staat (op grond van artikel 6:74 BW Pro). Zij stelt dat [dierenarts 1] om twee redenen geen positief aankoopadvies had mogen verstrekken. Ten eerste heeft [dierenarts 1] de overvulling in het rechterhoefgewricht niet opgemerkt op de röntgenopnames tijdens de aankoopkeuring. Ten tweede heeft [dierenarts 1] de beschikbare MRI-beelden niet bestudeerd, terwijl die wel relevant waren omdat [dierenarts 1] de overvulling in het hoefgewricht ook bij het bestuderen van de MRI-beelden had kunnen zien. De rechtbank oordeelt dat [bedrijf 1] niet tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht. Hierna wordt uitgelegd waarom.
4.10.
Bij de beoordeling of [bedrijf 1] , in de persoon van [dierenarts 1] , tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht, geldt als maatstaf hoe een redelijk handelend dierenarts in de gegeven omstandigheden zou hebben gehandeld.
Verwijt 1: het missen van de overvulling op de röntgenopnames
4.11.
Achteraf is vastgesteld dat op de door [dierenarts 1] tijdens de aankoopkeuring gemaakte röntgenopnames een overvulling te zien was in het rechterhoefgewricht van [naam] . Door het missen van deze overvulling is [dierenarts 1] in dit geval echter niet tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Niet weersproken is dat een röntgenologisch onderzoek steeds in samenhang met de klinische bevindingen moet worden beoordeeld, waarbij het klinisch onderzoek het meest belangrijk is. [dierenarts 1] heeft erkend dat hij de overvulling op de röntgenopnames niet heeft opgemerkt. Tegelijkertijd heeft [dierenarts 1] geen overvulling in het hoefgewricht geconstateerd bij het klinisch onderzoek (het bevoelen van de ledematen van een paard om zwellingen, verdikkingen etc. te ontdekken). Ook heeft [dierenarts 1] [naam] geobserveerd, terwijl het paard door een in Portugal aanwezige ruiter werd bereden. [naam] liep daarbij niet kreupel. Ook het echografisch onderzoek en dopingonderzoek lieten geen afwijkingen zien.
4.12.
Daar komt bij dat een overvulling in een hoefgewricht bij paarden niet ongewoon is. [naam] was al 12 jaar oud en presteerde op het hoogste niveau, waarvoor jarenlange training nodig is. [eiseres] heeft niet betwist dat bekend is dat bij paarden op (die) leeftijd ook meer vulling, slijtage of artrose ontstaat. Daarnaast had [naam] ongelijke voeten. Dat heeft [dierenarts 1] ook vermeld op het keuringsrapport. Volgens [dierenarts 1] lijken ongelijke voeten op röntgenopnames vaak iets meer gevuld, maar kan hij dat niet noteren als hij dat bij klinisch onderzoek niet voelt. Dat heeft [eiseres] niet weersproken.
4.13.
Verder overweegt de rechtbank dat een overvulling in het hoefgewricht niet hoeft te betekenen dat een paard ongeschikt is als dressuurpaard. In de eerdergenoemde procedure tegen [A] heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch prof. dr. P.A.J. Brama benoemd als deskundige. Het gerechtshof stelde aan Brama onder meer de vraag:

Kunt u gemotiveerd aangeven of en in hoeverre [naam] door die afwijkingen in het rechter voorbeen op 12 en/of 20 april 2018 feitelijk ongeschikt was als Grand Prix dressuurpaard?
In het deskundigenbericht van 26 oktober 2022 heeft Brama daarop onder meer geantwoord (productie 24 bij akte producties):
‘ [naam] heeft een aantal afwijkingen in het rechtervoetbeen. De deskundige wil opmerken dat er vele paarden op hoog niveau in de paardensport goed presteren met vergelijkbare afwijkingen.
(…)
Dit betekent impliciet dat [naam] door die afwijkingen niet feitelijk ongeschikt is als Grand Prix dressuurpaard. Het is namelijk mogelijk dat [naam] met de gevonden afwijkingen in de toekomst periodes kent waarin [naam] geen kreupelheid vertoont en daarmee in theorie ingezet kan worden als Grand Prix dressuurpaard.’
Hieruit volgt dat ook in het geval [dierenarts 1] de overvulling op de röntgenopnames wel had opgemerkt, dit niet per definitie aanleiding had gegeven tot het verstrekken van een negatief aankoopadvies.
4.14.
Vast staat dat de keuring een momentopname betreft. Omdat tijdens de aankoopkeuring geen kreupelheid werd vastgesteld, het beeld op de röntgenopnames gezien leeftijd, trainingsniveau en ongelijkheid van de voeten van [naam] niet vreemd was en een overvulling niet betekent dat [naam] feitelijk ongeschikt was als dressuurpaard, oordeelt de rechtbank dat [dierenarts 1] met het geven van een positief aankoopadvies ondanks de op röntgenopnames zichtbare overvulling niet is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst.
Verwijt 2: het nalaten van het bestuderen van de MRI-beelden
4.15.
Naar het oordeel van de rechtbank is het niet bestuderen van de MRI-beelden evenmin een tekortkoming. Tijdens de aankoopkeuring had [dierenarts 2] , de Portugese dierenarts die het paard begeleidde, MRI-beelden van [naam] uit België en Madrid tot zijn beschikking. Hoewel [dierenarts 1] de MRI-beelden niet heeft bestudeerd, zijn deze wel ter sprake gekomen tijdens de aankoopkeuring. [dierenarts 1] heeft [dierenarts 2] naar de rapportages van de MRI-beelden gevraagd. Volgens [dierenarts 2] waren er eerst MRI-beelden in België gemaakt, omdat er kennelijk iets aan de hand was met het beslag van [naam] . [dierenarts 2] was het echter niet eens met de diagnostiek van dat onderzoek. Daarna waren er MRI-beelden gemaakt in Madrid in het kader van een routinematige controle om te zien of nog alles functioneerde. De rapportage van de MRI-beelden uit Madrid was in het Spaans opgesteld, maar [dierenarts 2] vertelde desgevraagd aan [dierenarts 1] dat op de MRI-beelden geen afwijkingen te zien waren. [dierenarts 1] kende [naam] en haar (wedstrijd)verleden niet. Omdat [dierenarts 2] de behandelend dierenarts was en [naam] kende, mocht [dierenarts 1] op deze uitlatingen van [dierenarts 2] vertrouwen. Daarbij kon [dierenarts 1] de MRI-beelden zelf niet beoordelen, omdat hij geen radioloog is. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat het maken en/of beoordelen van MRI-beelden een standaard onderdeel is van een ééndaagse aankoopkeuring. [dierenarts 1] hoefde de MRI-beelden dus niet te beoordelen, maar mocht vertrouwen op de inlichtingen die [dierenarts 2] hem desgevraagd over deze beelden verstrekte.
4.16.
Verder heeft [dierenarts 1] tijdens de aankoopkeuring het wedstrijdboekje van [naam] bekeken. Daaruit bleek dat [naam] voor de op één na laatste wedstrijd een periode niet op wedstrijden was uitgebracht. Desgevraagd lichtte [dierenarts 2] toe dat er in die periode alleen één keer iets met het beslag aan de hand was. Nadat die voet correct beslagen was, waren er volgens [dierenarts 2] geen problemen meer. Hiervoor is al geoordeeld dat [dierenarts 1] op deze inlichtingen van [dierenarts 2] mocht vertrouwen. Bovendien kunnen er meerdere redenen zijn voor een periode zonder wedstrijden. Dat heeft [eiseres] niet weersproken. De rechtbank oordeelt daarom dat het bestaan van deze periode zonder wedstrijden niet betekent dat [dierenarts 1] de MRI-beelden had moeten (laten) bestuderen.
Tot slot
4.17.
De conclusie is dat [dierenarts 1] in de gegeven omstandigheden heeft gehandeld als een redelijk handelend dierenarts. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat [bedrijf 1] niet is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht. De rechtbank zal de vorderingen van [eiseres] (waaronder de vordering tot betaling van de buitengerechtelijke kosten) daarom afwijzen. Dat betekent ook dat de overige verweren van [bedrijf 1] onbesproken kunnen blijven.
4.18.
[bedrijf 1] heeft verzocht [eiseres] op grond van artikel 22 Rv Pro te bevelen alle processtukken waaraan wordt gerefereerd over te leggen. [eiseres] heeft deze producties op 21 februari 2024 bij akte overgelegd, zodat aan dit verzoek al voor de mondelinge behandeling werd voldaan. De rechtbank zal daarom geen beslissing meer nemen over dit verzoek.
[eiseres] moet de proceskosten betalen op basis van het liquidatietarief
4.19.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [bedrijf 1] vordert [eiseres] te veroordelen in de volledige proceskosten wegens het ontbreken van een redelijk procesbelang, overigens zonder de hoogte van deze kosten te onderbouwen. Zoals in 4.2 en 4.3 is geconstateerd, is daarvan geen sprake. De proceskosten van [bedrijf 1] worden daarom conform het liquidatietarief begroot op:
- griffierecht
676,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × tarief € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.082,00
4.20.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.082,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.2.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.3.
verklaart nummer 5.1 en 5.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2024.
5315