ECLI:NL:RBMNE:2024:3276

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 mei 2024
Publicatiedatum
28 mei 2024
Zaaknummer
575355 / HA RK 24-104
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 39 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in wrakingsverzoek en oplegging wrakingsverbod wegens procedurele misbruik

Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechter in een civiele hoofdzaak, nadat een eerder wrakingsverzoek ongegrond was verklaard en zij hiertegen hoger beroep had ingesteld. De wrakingskamer oordeelt dat het nieuwe wrakingsverzoek niet-ontvankelijk is omdat het enkel verwijst naar het hoger beroepschrift tegen de eerdere wrakingsbeslissing en een brief van de griffier, zonder gemotiveerd aan te tonen waarom de rechter vooringenomen zou zijn.

Het wrakingsverzoek wordt niet als verkapt rechtsmiddel gezien, en er staat geen rechtsmiddel open tegen een wrakingsbeslissing. De wrakingskamer ziet aanleiding om een wrakingsverbod op te leggen omdat verzoekster zowel hoger beroep heeft ingesteld tegen de wrakingsbeslissing als een tweede ongemotiveerd wrakingsverzoek heeft ingediend, wat de voortgang van de procedure belemmert.

De wrakingskamer besluit verzoekster niet-ontvankelijk te verklaren, het wrakingsverbod op te leggen en de procedure in de hoofdzaak voort te zetten in de stand van schorsing. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar wrakingsverzoek en er wordt een wrakingsverbod opgelegd wegens misbruik van het wrakingsmiddel.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 575355 / HA RK 24-104
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 24 mei 2024
op het verzoek in de zin van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:
[verzoekster] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gemachtigde: S. Karahan,
(hierna: verzoekster).

1.De procedure

1.1.
Verzoekster heeft op 20 mei 2024 per e-mail een verzoek tot wraking ingediend van de rechter in de procedure met zaaknummer 10899705 UC EXPL 24-636 (hierna: de hoofdzaak). Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. O.P. van Tricht als behandelend rechter (hierna: de rechter).
1.2.
Verzoekster heeft in de hoofdzaak al eerder (op 14 april 2024) een wrakingsverzoek tegen de rechter ingediend. Dit wrakingsverzoek is op zitting behandeld. Verzoekster heeft zich voor deze zitting per e-mail afgemeld wegens ziekte. Daarbij heeft verzoekster niet om aanhouding van de zaak of verplaatsing van de zitting verzocht. Het verzoek is door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (hierna: wrakingskamer) met de beslissing van 8 mei 2024 ongegrond verklaard. Verzoekster heeft op diezelfde dag hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de wrakingskamer op basis van de doorbrekingsjurisprudentie bij het Gerechtshof Arnhem.
1.3.
Op 15 mei 2024 heeft de griffier van de rechtbank een brief naar verzoekster verstuurd waarin aan verzoekster is meegedeeld dat de hoofdzaak niet verder wordt aangehouden, aangezien er op het wrakingsverzoek is beslist en daartegen geen rechtsmiddel open staat (zoals ook vermeld in de beslissing van de wrakingskamer).
1.4.
De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van een mondelinge behandeling.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoekster heeft in haar wrakingsverzoek verwezen naar haar hoger beroepsschrift van 8 mei 2024 tegen de beslissing van de wrakingskamer van diezelfde datum en naar de brief van de griffier van de rechtbank van 15 mei 2024. Verzoekster stelt dat zij naar aanleiding van die twee documenten vrees heeft voor (de schijn van) vooringenomenheid/partijdigheid van mr. O.P. van Tricht.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer overweegt als volgt. Verzoekster heeft in haar wrakingsverzoek enkel verwezen naar haar hoger beroepschrift tegen de eerdere wrakingsbeslissing en naar de brief van de rechtbank van 15 mei 2024. Het hoger beroepsschrift ziet op de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer en niet op het handelen van de rechter in de hoofdzaak. Bovendien is een wrakingsverzoek geen verkapt rechtsmiddel en staat er (zoals ook vermeld in de beslissing van 8 mei 2024) geen rechtsmiddel open tegen een wrakingsbeslissing. Verder heeft verzoekster niet gemotiveerd waarom de brief van 15 mei 2024 maakt dat de rechter vooringenomen/partijdig is. De verwijzing naar deze documenten levert dus geen grond voor wraking op.
3.3.
Op grond van het voorgaande is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek niet is gemotiveerd. Op grond hiervan kan, overeenkomstig het bepaalde in onderdeel 4.2 van het wrakingsprotocol van deze rechtbank, een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek achterwege blijven.
3.4.
De wrakingskamer zal verzoekster niet-ontvankelijk verklaren in het wrakingsverzoek.
Wrakingsverbod
3.5.
De wrakingskamer ziet aanleiding toepassing te geven aan artikel 39, vierde lid, Rv. Een volgend wrakingsverzoek van verzoekster, betrekking hebbend op de procedure met zaaknummer 10899705 UC EXPL 24-636, zal niet in behandeling worden genomen. De reden hiervoor is dat verzoekster zowel hoger beroep heeft ingesteld tegen de wrakingsbeslissing van 8 mei 2024, als een tweede ongemotiveerd wrakingsverzoek heeft ingediend in dezelfde hoofdzaak. De voortgang van de procedure wordt hierdoor belemmerd en voorkomen moet worden dat verzoekster door hernieuwde wrakingsverzoeken misbruik maakt van het wrakingsmiddel.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar wrakingsverzoek;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing te sturen aan verzoekster, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, de betrokken teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkzaam is, en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoekster met zaaknummer 10899705 UC EXPL 24-636 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
4.4.
bepaalt dat een volgend verzoek om wraking in de zaak met het zaaknummer 10899705 UC EXPL 24-636 niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door mr. D. Wachter, voorzitter, en mr. R.C. Stijnen en mr. N.A.J. Purcell als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. S. Bazaz, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.