De rechtbank Midden-Nederland heeft op 29 mei 2024 uitspraak gedaan in een zaak waarin veroordeelde werd veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift en witwassen. De ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie betrof een bedrag van maximaal €547.663,95, gebaseerd op betalingen die zijn gedaan op de zakelijke rekening van een bedrijf zonder dat daar daadwerkelijke dienstverlening tegenover stond.
De rechtbank heeft de vordering beoordeeld en vastgesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel €113.548,- bedroeg, na correctie voor deels vrijgesproken feiten. Dit bedrag is gelijk verdeeld tussen veroordeelde en medeveroordeelde, waarbij aan veroordeelde een bedrag van €56.774,- wordt toegerekend.
De rechtbank oordeelde dat de verhoging van de vordering niet in strijd was met de goede procesorde en dat het Openbaar Ministerie binnen het dossier vrij was de vordering aan te passen. De betalingsverplichting aan de Staat is vastgesteld op €56.774,-, met een maximale gijzelingstermijn van 1080 dagen als dwangmiddel.
De uitspraak is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en volgt op een uitgebreide beoordeling van bankgegevens, facturen en het strafdossier. De rechtbank heeft de belangen van veroordeelde meegewogen en geen schending van procesrechten vastgesteld.