ECLI:NL:RBMNE:2024:3356

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 maart 2024
Publicatiedatum
29 mei 2024
Zaaknummer
22/5533 en UTR 23/4769
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 4:17 AwbArt. 8.2 Woo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens tijdige beslissing op Woo-verzoek en inhoudelijk ongegrond beroep

Eiser heeft namens zichzelf, zijn moeder en broer twee beroepsprocedures gevoerd tegen het college van burgemeester en wethouders van Utrecht. Het eerste beroep betrof het niet-tijdig beslissen op Woo-verzoeken, waarop het college uiteindelijk op 14 februari 2023 inhoudelijk heeft beslist. Het tweede beroep richtte zich tegen het besluit van 22 augustus 2023 waarin bezwaar tegen de Woo-besluiten werd afgewezen.

De rechtbank overweegt dat het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk is, omdat er inmiddels een beslissing is genomen. Het beroep tegen het bestreden besluit is kennelijk ongegrond, omdat het college terecht heeft geoordeeld dat de AVG-verzoeken zijn omgezet in Woo-verzoeken met instemming van eiser, en de inhoudelijke beoordeling van de stukken niet ter discussie staat in een Woo-procedure.

Verzoeken om griffierechtvrijstelling zijn toegewezen, maar aanspraken op dwangsommen en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn worden afgewezen. De redelijke termijn is niet overschreden omdat de bezwaar- en beroepsprocedure samen maximaal twee jaar mogen duren en de termijn nog niet is verstreken.

De rechtbank doet uitspraak zonder zitting en wijst alle vorderingen af, waarmee het beroep wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen is niet-ontvankelijk, het beroep tegen het inhoudelijke besluit is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 22/5533 en UTR 23/4769

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: J. Aznag).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over twee beroepsprocedures van eiser. Eiser heeft, mede namens zijn moeder en broer, op 26 november 2022 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op twee verzoeken op grond van de Wet open overheid (Woo) (UTR 22/5533). Het college heeft in twee besluiten van 14 februari 2023 alsnog op de Woo-verzoeken beslist. Het college heeft een aantal documenten volledig en een aantal documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt. Hiertegen heeft eiser, mede namens zijn moeder en broer, bezwaar gemaakt. Het college heeft op het bezwaar beslist in het besluit van 22 augustus 2023 (het bestreden besluit). [1] Hij heeft daarna, mede namens zijn moeder en broer, tijdig beroep ingesteld tegen dat besluit (UTR 23/4769).
1.1.
Omdat het beroep tegen het niet-tijdig beslissen kennelijk-niet ontvankelijk en het beroep tegen het bestreden besluit kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser heeft verzocht om vrijgesteld te worden van het griffierecht, omdat hij het griffierecht niet kan betalen. De rechtbank willigt dit verzoek in op basis van de door eiser overgelegde gegevens over zijn inkomen.
3. Eiser, zijn moeder en broer, hebben bij het college verzoeken ingediend om op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) inzage te krijgen in de verwerking van hun persoonsgegevens. Eiser is gemachtigd om namens zijn moeder en broer op te treden. Het college heeft de AVG-verzoeken ingewilligd en overzichten van verwerkte gegevens verstrekt. Eiser heeft daar namens zijn moeder en broer bezwaar tegen gemaakt. Het college heeft een deel van het bezwaarschrift van eiser opgevat als nieuwe verzoeken op grond van de Woo. Dit is aan eiser meegedeeld in een e-mailbericht van 14 september 2022. Hierin staat ook vermeld dat dit telefonisch met eiser is besproken en dat hij hiermee heeft ingestemd.
Over het beroep tegen het niet-tijdig beslissen
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen. De Woo-verzoeken dateren van 14 september 2022. Eiser heeft het college op 15 november 2022 in gebreke gesteld en gesteld dat het college dwangsommen is verschuldigd. Daarna heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen.
5. Het college heeft de rechtbank bericht dat er op 14 februari 2023 op de Woo-verzoeken is beslist. De rechtbank heeft aan eiser gevraagd of hij daarin aanleiding ziet om het beroep niet-tijdig in te trekken. Eiser heeft het beroep echter niet ingetrokken. Hij heeft de rechtbank bericht dat hij en zijn moeder en broer schade hebben geleden, omdat het college niet op tijd heeft beslist. Zij maken samen aanspraak op immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 750,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank bespreekt het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en het verzoek om dwangsommen bij de beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit.
6. De rechtbank overweegt dat het college op zowel de twee Woo-verzoeken als de daaropvolgende door eiser ingediende bezwaarschriften inhoudelijk heeft beslist in de besluiten van 14 februari 2023 en 22 augustus 2023. Eiser heeft daarom geen belang meer bij de beoordeling van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen. Dat beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Over het beroep tegen het bestreden besluit
7. Eiser heeft in het beroepschrift van 22 september 2023 melding gemaakt van veel klachten die hij heeft over de handelwijze van verschillende instanties, waaronder het Zorg- en Veiligheidshuis. Volgens eiser leven deze instanties de AVG niet voldoende na. Eiser voelt zich niet serieus genomen door deze instanties. Hij voelt zich door het college aan het lijntje gehouden door de omzetting van de AVG-verzoeken naar Woo-verzoeken. Daardoor is er volgens hem teveel tijd voorbij gegaan. Het inzagerecht is volgens eiser geschonden, het privacy-recht van eiser, zijn moeder en broer is bovendien geschonden en hun klachten worden niet gehoord.
8. De rechtbank oordeelt dat het beroep van eiser, zijn moeder en broer, kennelijk ongegrond is.
9. Als eiser met zijn klacht over de duur van de periode, heeft willen bereiken dat aan hem, zijn moeder en broer dwangsommen op grond van artikel 4:17 van Pro de Awb worden uitbetaald door het college, slaagt deze beroepsgrond niet. Artikel 4:17 van Pro de Awb is namelijk niet van toepassing in Woo-zaken. Dat staat in artikel 8.2 van de Woo. De beroepsgrond slaagt niet.
10. Ook hebben eiser en zijn moeder en broer geen recht op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. In deze zaken is sprake van een opvolgende bezwaar- en beroepsprocedure. De behandeling daarvan mag maximaal twee jaar in beslag nemen. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. De periode die moet worden beoordeeld begint op de datum waarop het bezwaarschrift door het college is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank uitspraak doet. De rechtbank sluit aan bij de vaste rechtspraak van de Hoge Raad hierover. [2]
11. Het bezwaarschrift is op 21 februari 2023 door het college ontvangen. Sinds die datum is er nog geen twee jaar verstreken. Ook als de ontvangst van de bezwaarschriften van 24 mei 2022 in de AVG-procedure als startpunt voor de procedure zou worden genomen, zoals eiser stelt, is de redelijke termijn nog niet overschreden. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
11. Als eiser het niet eens is met de omzetting van de AVG-bezwaarschriften in een nieuw te beoordelen Woo-verzoek, dan had hij dat eerder kenbaar moeten maken bij het college. Op basis van de stukken komt naar voren dat eiser heeft ingestemd met deze gang van zaken. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
11. Voor zover eiser bedoelt dat in documenten ten onrechte een ziektebeeld worden geschetst door onder andere het Zorg- en Veiligheidshuis, heeft het college terecht gesteld dat de juistheid van de inhoud van de stukken niet ter beoordeling staat in een Woo-verzoek. Ook heeft het college over de compleetheid van de stukken het juiste criterium gehanteerd. Eisers kennelijke overtuiging dat er meer of andere stukken moeten zijn, maakt dat niet anders. Wat eiser verder in zijn beroepschrift naar voren brengt gaat niet over het besluit van 22 augustus 2023 en kan dus ook niet leiden tot vernietiging van dat besluit. Dat maakt dat het beroep kennelijk-ongegrond is.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 augustus 2023 ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.De rechtbank merkt op dat het college zelf een besluit heeft overgelegd dat is voorzien van een andere datum, namelijk 13 juli 2023, maar dat zij ervan uitgaat dat het besluit pas bekend is gemaakt aan eiser op 22 augustus 2023.
2.Overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.