Eiser heeft beroep ingesteld tegen een besluit van 20 april 2023 dat betrekking heeft op kinderopvangtoeslag over 2021, terwijl zijn beroepsgronden zien op het recht op toeslag over 2020. Het definitieve besluit over 2020 dateert van 11 juli 2022, waartegen eiser geen tijdig beroep heeft ingesteld, waardoor dit besluit formele rechtskracht heeft gekregen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend. Hoewel het besluit van 20 april 2023 een herhaling bevat van het besluit van 11 juli 2022, heeft dit geen zelfstandige rechtsgevolgen en kan er geen beroep tegen worden ingesteld. Eiser had binnen zes weken na het besluit van 11 juli 2022 beroep moeten instellen.
Eiser stelde dat hij niet tijdig beroep kon instellen omdat het terugvorderingskarakter van het besluit niet duidelijk was, mede door een onduidelijke specificatie op de website van de Belastingdienst. De rechtbank oordeelt dat uit het besluit zelf duidelijk blijkt dat er een terugvordering is en dat eiser deze passage verkeerd heeft geïnterpreteerd.
Zelfs als het beroep ontvankelijk zou zijn, zou het niet leiden tot een andere uitkomst omdat eiser niet gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat hij geen geld hoefde terug te betalen. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en bevestigt dat eiser een bedrag van €1.141,- exclusief rente moet terugbetalen.