ECLI:NL:RBMNE:2024:3386

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 april 2024
Publicatiedatum
30 mei 2024
Zaaknummer
UTR 23/3383
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdig betalen van griffierecht

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van de Sociale Verzekeringsbank waarbij maandelijks een bedrag werd ingehouden op zijn AOW-pensioen. Na afwijzing van het bezwaar is eiser in beroep gegaan bij de rechtbank. De rechtbank heeft eiser meerdere malen verzocht het griffierecht van €50,- te betalen binnen een gestelde termijn.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de aangetekende brief met het verzoek tot betaling niet is afgehaald en retour is gezonden. Hierdoor is het griffierecht niet ontvangen binnen de termijn. Eiser heeft geen geldige reden opgegeven voor het niet tijdig betalen van het griffierecht.

Op grond van artikel 8:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht geldt dat bij niet-betaling van het griffierecht het beroep niet inhoudelijk behandeld mag worden. De rechtbank verklaart het beroep dan ook niet-ontvankelijk en doet geen uitspraak over de inhoud van het beroep.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3383

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2024 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder.

Procesverloop

Met het besluit van 9 mei 2023 heeft verweerder besloten maandelijks 47,50 in te houden op het AOW-pensioen van eiser. Hiertegen heeft eiser op 12 mei 2023 bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 24 mei 2023 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser is hiertegen in beroep gegaan.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Iemand die in beroep gaat moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is het griffierecht € 50,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank.
3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar eiser niets aan kan doen. [2]
4. De rechtbank heeft eiser op 8 september 2023 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat eiser het griffierecht binnen vier weken moet betalen aan de rechtbank. Nader door de rechtbank ingesteld onderzoek bij PostNL heeft uitgewezen dat deze aangetekende brief niet is afgehaald en daarom op 28 september 2023 retour is gezonden. De rechtbank heeft het bedrag niet ontvangen. Eiser heeft daar geen geldige reden voor gegeven.
5. Het beroep zal niet inhoudelijk worden behandeld en de rechtbank zal geen uitspraak over het beroep doen. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. [3] Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Khalloufi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.artikel 8:41, zesde lid, van de Awb.
3.artikel 8:54, van de Awb.