ECLI:NL:RBMNE:2024:3389
Rechtbank Midden-Nederland
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek opheffing voorlopige hechtenis wegens verkorte dealperiode
Op 11 april 2024 is een verzoekschrift ingediend tot opheffing dan wel subsidiaire schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte. De rechtbank heeft het strafdossier bestudeerd en zowel de officier van justitie, verdachte als diens raadsvrouw gehoord.
In de dagvaarding is de dealperiode teruggebracht van twee weken naar één dag. De rechtbank oordeelt dat hierdoor een situatie ontstaat zoals bedoeld in artikel 67a lid 3 Wetboek van Strafvordering, waarbij opheffing van de voorlopige hechtenis gerechtvaardigd is.
Gezien deze omstandigheden wordt het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis toegewezen en het verzoek tot schorsing komt daarmee te vervallen. De voorlopige hechtenis wordt met ingang van heden opgeheven.
De beslissing is genomen in raadkamer op 18 april 2024 door de voorzitter en rechters van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht.
Uitkomst: De voorlopige hechtenis van verdachte is opgeheven vanwege verkorte dealperiode in de dagvaarding.