Eisers sloten op 7 maart 2022 een aannemingsovereenkomst met gedaagde voor het vernieuwen van een douchevloer en het aanbrengen van een wandpaneel. Tijdens het verkoopgesprek en via een brochure werd de indruk gewekt dat gedaagde lid was van de Centrale Branchevereniging Wonen (CBW), wat voor eisers een doorslaggevend element was vanwege de extra zekerheid en garanties.
Na het sluiten van de overeenkomst bleek dat gedaagde sinds december 2021 niet meer bij de CBW was aangesloten, terwijl dit niet aan eisers was medegedeeld. Eisers stelden dat dit een misleidende handelspraktijk is in de zin van artikel 6:193b jo. 6:193c BW en vernietigden de overeenkomst buitengerechtelijk op 19 september 2022. Gedaagde voerde verweer dat het lidmaatschap niet expliciet was genoemd tijdens het gesprek en dat eisers niet naar het lidmaatschap hadden gevraagd.
De kantonrechter oordeelde dat het verstrekken van onjuiste en voor de aankoop relevante informatie over het lidmaatschap een oneerlijke handelspraktijk is. Omdat gedaagde had moeten weten dat klanten oude informatie konden hebben, had zij dit moeten corrigeren. De overeenkomst is daarom terecht vernietigd. Gedaagde moet het onverschuldigd betaalde bedrag van € 5.000,00 en buitengerechtelijke incassokosten vergoeden. Tevens worden de proceskosten aan eisers toegewezen.