ECLI:NL:RBMNE:2024:3438
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens oplichting en diefstal
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 8 april 2024 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die eerder veroordeeld was voor oplichting en diefstal in de periode van maart 2020 tot maart 2021.
De officier van justitie vorderde een bedrag van €36.223,66, terwijl de rechtbank na beoordeling van het bewijs en de overgemaakte bedragen het voordeel vaststelde op €32.940,64. De rechtbank hield rekening met overboekingen van het slachtoffer naar verschillende rekeningen van veroordeelde en bracht bepaalde bedragen die naar derden waren overgemaakt in mindering.
De verdediging betoogde dat de vordering moest worden afgewezen wegens een bepleite integrale vrijspraak en het ontbreken van genoten voordeel, maar dit werd niet gevolgd. De rechtbank oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden tot matiging van het bedrag leidden en legde de betalingsverplichting op.
Tenslotte bepaalde de rechtbank de maximale duur van gijzeling voor het geval van niet-betaling op 658 dagen. Het vonnis werd uitgesproken door de meervoudige kamer op 22 april 2024.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €32.940,64 aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.