ECLI:NL:RBMNE:2024:3438

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2024
Publicatiedatum
31 mei 2024
Zaaknummer
16/318285-21
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens oplichting en diefstal

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 8 april 2024 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die eerder veroordeeld was voor oplichting en diefstal in de periode van maart 2020 tot maart 2021.

De officier van justitie vorderde een bedrag van €36.223,66, terwijl de rechtbank na beoordeling van het bewijs en de overgemaakte bedragen het voordeel vaststelde op €32.940,64. De rechtbank hield rekening met overboekingen van het slachtoffer naar verschillende rekeningen van veroordeelde en bracht bepaalde bedragen die naar derden waren overgemaakt in mindering.

De verdediging betoogde dat de vordering moest worden afgewezen wegens een bepleite integrale vrijspraak en het ontbreken van genoten voordeel, maar dit werd niet gevolgd. De rechtbank oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden tot matiging van het bedrag leidden en legde de betalingsverplichting op.

Tenslotte bepaalde de rechtbank de maximale duur van gijzeling voor het geval van niet-betaling op 658 dagen. Het vonnis werd uitgesproken door de meervoudige kamer op 22 april 2024.

Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €32.940,64 aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/318285-21 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming
in de zaak tegen
[veroordeelde]
geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: veroordeelde.

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 8 april 2024. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. P. Jansen en van hetgeen veroordeelde en mr. M.H.H. Meulemeesters, advocaat te Zeist, naar voren hebben gebracht.

2.DE VORDERING

2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 36.223,66.
2.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, nu integrale vrijspraak is bepleit in de strafzaak tegen veroordeelde en veroordeelde geen voordeel heeft genoten.

3.BEOORDELING VAN DE VORDERING

3.1
De grondslag van de vordering
De veroordeelde is bij vonnis van 22 april 2024 van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor oplichting en diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, in de periode van 25 maart 2020 tot en met 4 maart 2021.
De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit de strafbare feiten die de veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan (artikel 36e, lid 2 Wetboek van Strafrecht).
3.2
Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Voor de berekening van de opbrengsten en kosten neemt de rechtbank tot uitgangspunt wat is opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen van 21 mei 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [1]
Op de nader te noemen data en tijdstippen (28 maart 2020 tot en met 27 april 2020) werd van het rekeningnummer [rekeningnummer 1] , ten name van aangever [aangever] , in een kort tijdsbestek verschillende bedragen, in totaal 3.747,61 euro, overgemaakt op het rekeningnummer [rekeningnummer 2] , ten name van [veroordeelde] . [2]
Op de nader te noemen data en tijdstippen (10 mei 2020 tot en met 23 juli 2020) werd van het rekeningnummer [rekeningnummer 1] , ten name van aangever [aangever] , in een kort tijdsbestek verschillende bedragen, in totaal 16.975,00 euro, overgemaakt op het rekeningnummer [3] [rekeningnummer 3] , ten name van [veroordeelde] .
Op de nader te noemen data en tijdstippen (21 januari 2021 tot en met 3 maart 2021) werd van het rekeningnummer [rekeningnummer 1] , ten name van aangever [aangever] , in een kort tijdsbestek verschillende bedragen, in totaal 2.218,03 euro, overgemaakt op het rekeningnummer [rekeningnummer 4] , ten name van [veroordeelde] .
Datum: 24 februari 2021;
Tijdstip: 16:45 uur;
Bijlageregel: 419;
Omschrijving: Geldmaat te Enschede;
Bedrag: € 1.000;
Datum: 24 februari 2021;
Tijdstip: 17:37 uur;
Bijlageregel: 421;
Omschrijving: Geldmaat te Enschede;
Bedrag: € 2.000;
Datum: 24 februari 2021;
Tijdstip: 17:38 uur;
Bijlageregel: 422;
Omschrijving: Geldmaat te Enschede;
Bedrag: € 2.000;
Datum: 24 februari 2021;
Tijdstip: 17:40 uur;
Bijlageregel: 423;
Omschrijving: Geldmaat te Enschede;
Bedrag: € 2.000;
Datum: 24 februari 2021;
Tijdstip: 17:41 uur;
Bijlageregel: 424;
Omschrijving: Geldmaat te Enschede;
Bedrag: € 2.000; [4]
Datum: 24 februari 2021;
Tijdstip: 17:42 uur;
Bijlageregel: 425;
Omschrijving: Geldmaat te Enschede;
Bedrag: € 1.000. [5]
Uit het vonnis blijkt geenszins dat veroordeelde deze door middel van oplichting en diefstal verkregen geldbedragen heeft terugbetaald aan het slachtoffer. De rechtbank merkt hierbij op dat zij – anders dan de officier van justitie – niet de bedragen heeft meegenomen die zijn overgemaakt van de rekening van aangever [aangever] naar het rekeningnummer van anderen dan verdachte zelf. Dat maakt dat zij een totaalbedrag van € 3.283,02 (overgemaakt naar een rekeningnummer van respectievelijk [A] . en [B] ) in mindering brengt voor de berekening van de opbrengst en de kosten. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 32.940,64.
3.3
Betalingsverplichting
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan voormeld bedrag moet worden gematigd en zal verdachte dan ook verplichten tot betaling van het bedrag van € 32.940,64 aan de staat.

4.TOEGEPAST WETSARTIKEL

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.BESLISSING

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 32.940,64;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 32.940,64 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 658 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke, voorzitter, mr. G.A. Bos en mr. A.A.T. Werner, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Buel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 april 2024.
Mr. Werner is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 21 mei 2021, genummerd PL0900-2021069119-87, opgemaakt door de politie Midden-Nederland (pagina 1188 tot en met 1191, inclusief bijlage, pagina 1192 tot en met 1210).
2.P. 1188.
3.P. 1189.
4.P. 1209.
5.P. 1210.