ECLI:NL:RBMNE:2024:3439
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontnemingsvordering na vrijspraak betrokkene
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 8 april 2024 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten bedrage van €36.223,66. De officier van justitie vorderde dat dit bedrag aan de Staat zou worden betaald en dat de betalingsverplichting hoofdelijk zou worden opgelegd.
De verdediging stelde dat de vordering moest worden afgewezen omdat betrokkene integraal was vrijgesproken in de strafzaak en bovendien geen voordeel had genoten. De rechtbank nam dit standpunt over en wees de vordering af, aangezien de vrijspraak betekent dat het wederrechtelijk verkregen voordeel niet is komen vast te staan.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Het vonnis is uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank op 22 april 2024, waarbij mr. Werner wegens omstandigheden niet medeondertekende.
Uitkomst: De rechtbank wijst de ontnemingsvordering af vanwege vrijspraak van betrokkene.