De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen in een gezinshuis voor de duur van de ondertoezichtstelling. Eerder was al een spoedmachtiging verleend voor twee weken. Tijdens de zitting op 7 mei 2024 werden de standpunten van de GI, moeder en vader besproken.
De GI stelde dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben en dat de vader zich niet meer aan de omgangsregeling houdt. De moeder ondersteunt het verzoek vanwege haar onstabiele woonsituatie en het moeilijke gedrag van de kinderen, waardoor zij tijdelijk niet voor hen kan zorgen. De vader verzet zich tegen de uithuisplaatsing en stelt dat hij eerder anderhalf jaar voor de kinderen heeft gezorgd en dat het beter is dat de kinderen bij een van hun ouders verblijven dan in een onbekende omgeving.
De kinderrechter oordeelde dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen. De machtiging wordt verleend voor twee maanden om de huidige plaatsing in het gezinshuis te continueren. Het resterende deel van het spoedverzoek wordt afgewezen omdat het belang daarvan is komen te vervallen. De kinderrechter verzoekt de GI nader onderzoek te doen naar plaatsing bij de vader en houdt de verdere behandeling aan tot een nader te bepalen zitting.