ECLI:NL:RBMNE:2024:350
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde en verzoek schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
De heffingsambtenaar stelde op grond van de Wet WOZ de waarde van een onroerende zaak voor het belastingjaar 2021 vast per peildatum 1 januari 2020. Eiseres ging tegen deze beschikking in bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde eiseres beroep in bij de rechtbank, die de zaak op 8 januari 2024 behandelde.
De rechtbank constateerde dat de gemachtigde van eiseres standaarddocumenten gebruikte die niet op de zaak van toepassing waren en dat nieuwe inhoudelijke standpunten pas op de zitting werden ingebracht, wat in strijd was met de goede procesorde. De rechtbank verwierp de beroepsgrond dat de WOZ-waarde onvoldoende was gecorrigeerd voor de coronacrisis, omdat de waardepeildatum voorafging aan de pandemie.
De heffingsambtenaar had aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was, mede gebaseerd op de aankoopprijs uit 2018. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de termijnverlenging gerechtvaardigd was door het procederen van de gemachtigde, wat aan eiseres kon worden toegerekend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de WOZ-waarde en wees het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak werd ook aan eiseres zelf verzonden vanwege de handelswijze van haar gemachtigde.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt afgewezen.