ECLI:NL:RBMNE:2024:351
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en verzoek om vergoeding immateriële schade afgewezen
De heffingsambtenaar van de gemeente heeft de WOZ-waarde van een onroerende zaak vastgesteld voor het belastingjaar 2021 en een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in bij de rechtbank.
Tijdens de zitting op 8 januari 2024 heeft de rechtbank het procederen van eiseres' gemachtigde beoordeeld. De rechtbank wees op het gebruik van gestandaardiseerde stukken die geen betrekking hadden op de zaak en verwierp het innemen van nieuwe standpunten op de zitting wegens strijd met de goede procesorde.
De rechtbank achtte de WOZ-waarde aannemelijk op basis van het aankoopbedrag en de staat van de onroerende zaak. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de termijn verlengd werd tot drie jaar vanwege het procederen van de gemachtigde.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is, de WOZ-waarde gehandhaafd blijft en dat geen vergoeding of kosten worden toegekend. De uitspraak is ook aan eiseres zelf verzonden vanwege haar afwezigheid op de zitting.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde is ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn is afgewezen.