ECLI:NL:RBMNE:2024:352
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde onroerende zaak en verzoek schadevergoeding
De heffingsambtenaar van de gemeente heeft de WOZ-waarde van een onroerende zaak vastgesteld per 1 januari 2020 en daarop een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd. Eiseres ging tegen deze beschikking in bezwaar, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde eiseres beroep in bij de rechtbank.
Tijdens de zitting op 8 januari 2024 werden de standpunten van partijen besproken. De rechtbank constateerde dat de gemachtigde van eiseres standaarddocumenten gebruikte die geen betrekking hadden op de zaak, en dat nieuwe inhoudelijke argumenten op de zitting niet werden toegestaan wegens strijd met de goede procesorde. Het enige toegelaten standpunt betrof een mogelijke waardedrukkende invloed van de coronapandemie, maar dit werd verworpen omdat de waardepeildatum vóór de pandemie lag.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde correct was vastgesteld met gebruik van marktgegevens en taxatiemethoden. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, omdat de rechtbank een verlengde termijn van drie jaar hanteerde vanwege het procederen van de gemachtigde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de WOZ-waarde en wees het verzoek om schadevergoeding af. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.