ECLI:NL:RBMNE:2024:361
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Verbod op crematie van minderjarig kind in geschil tussen ouders over lijkbezorging
In een kort geding tussen de ouders van een minderjarig kind dat een onnatuurlijke dood is gestorven, stond de vraag centraal of het kind begraven of gecremeerd moest worden. De moeder, die in voorlopige hechtenis zit en wordt verdacht van betrokkenheid bij het overlijden, wilde het kind cremeren. De vader wilde het kind begraven om een plek te hebben voor verwerking en rouw.
De wet op de lijkbezorging bepaalt dat de lijkbezorging plaatsvindt volgens de wens van de overledene, maar deze wens kon niet worden vastgesteld vanwege de leeftijd van het kind. De voorzieningenrechter stelde vast dat beide ouders als nabestaanden mogen beslissen over de lijkbezorging, ondanks dat de vader niet met gezag belast was.
Na belangenafweging oordeelde de voorzieningenrechter dat het belang van de vader zwaarder weegt, mede omdat de moeder verantwoordelijk wordt gehouden voor het overlijden en een crematie onomkeerbaar is. De moeder mocht wel bepalen waar het kind begraven zou worden. De vordering van de vader werd toegewezen en de crematie verboden.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verbood de crematie en bepaalde dat het kind begraven moet worden.