5.3Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
Een proces-verbaal van verhoor van verdachte als getuige van 18 oktober 2019 – zakelijk weergegeven:
Ik stapte uit mijn voertuig en riep met luide stem “Politie”. Daarbij richtte hij het wapen op mij en begon ik te schieten. In mijn gedachten was het vijf á zes schoten en bij het tellen bij de collega van de Rijksrecherche waren het er vijf. Ik vuurde de schoten vrij snel achter elkaar af.
V: Mag ik de conclusie eruit trekken dat u hem wilde uitschakelen?
A: Ja, ik richtte niet op zijn hoofd, ik richtte op zijn borst. Ik denk dat ik eerst op zijn benen en dan op zijn borst heb geschoten. Ik weet dit niet zeker, maar mijn gevoel zegt dat ik het gedaan heb zoals ik 19 jaar lang heb getraind; eerst op de benen en dan op de borst.
O: De getuige maakt een situatieschets van het moment dat het schieten begon.
A: Ik schat daarbij de afstand van mijzelf naar de schutter in als twintig meter.
Een voorlopig sectierapport van 9 oktober 2019 – zakelijk weergegeven:
Het overlijden van [slachtoffer] , 18 jaren oud geworden, wordt verklaard door algehele weefselschade door bloedverlies en longfunctiestoornissen, ten gevolge van één doorschot van de rechterborstholte.
Bewezenverklaring doodslag (het primair ten laste gelegde)
Voor een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde doodslag moet wettig en overtuigend worden bewezen dat [slachtoffer] is overleden doordat verdachte op hem heeft geschoten, en dat verdachte ook het opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .
Vaststaat dat [slachtoffer] is overleden doordat hij is getroffen door één van de vijf door verdachte afgevuurde kogels. Het is zeer waarschijnlijk het vierde schot geweest dat [slachtoffer] raakte na een zogeheten ‘ricochet’ op de straatstenen. Deze kogel raakte hem in zijn rug, perforeerde vervolgens zijn longen en ribben, en verliet zijn lichaam aan de voorzijde door de borst. De tenlastelegging kan in zoverre wettig overtuigend worden bewezen en daarover bestaat ook geen discussie.
Met betrekking tot het opzet van verdachte op de dood van [slachtoffer] overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte met ‘vol opzet’, of anders gezegd, met het oogmerk om [slachtoffer] te doden op hem heeft geschoten. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] wilde uitschakelen, niet dat hij hem probeerde dood te schieten. De rechtbank zal daarom hieronder gemotiveerd uiteenzetten of opzet op de dood van [slachtoffer] in voorwaardelijke zin wel kan worden bewezen.
Juridisch kader voorwaardelijk opzet
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van [slachtoffer] – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Beoordeling voorwaardelijk opzet in deze zaak
Uit het dossier leidt de rechtbank af dat verdachte op een afstand van enkele tientallen meters en binnen een tijdsbestek van vijf seconden met zijn vuurwapen vijfmaal gericht heeft geschoten. Verdachte had naar eigen zeggen hierbij de intentie om [slachtoffer] uit te schakelen, in ieder geval bij de eerste vier schoten. Verdachte heeft verklaard dat hij angstig was, uit noodweer schoot en dat hij richtte op de borst en op de benen.
Door zo te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat [slachtoffer] door een van zijn schoten zou komen te overlijden. Ook is er dan sprake van een bewuste aanvaarding dat deze kans zou worden verwezenlijkt. Naar algemene ervaringsregels levert het op korte afstand gericht en meermaals schieten – zeker door een daarin geoefend politieagent – op onder andere de borst van een weliswaar bewegend, maar zichtbaar persoon, de aanmerkelijke kans op dat deze persoon door een of meerdere schoten dodelijk getroffen wordt. Die kans wordt nog vergroot als geschoten wordt op een persoon in een relatief nauwe straat omzoomd door huizen en voorwerpen waar ook ricocherende kogels het doelwit kunnen raken. Verdachte moet zich, zeker als politieagent die getraind is in het gebruik van zijn vuurwapen en bekend is met de mogelijk verstrekkende (dodelijke) gevolgen van het gebruik daarvan, bewust zijn geweest van deze kans. Door met die wetenschap gericht op de borst te (blijven) schieten, heeft verdachte de aanmerkelijke kans bewust aanvaard dat [slachtoffer] dodelijk getroffen zou kunnen worden. Daarmee is sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] .
De doodslag van [slachtoffer] door verdachte zoals primair ten laste gelegd kan op grond van het voorgaande wettig en overtuigend worden bewezen. De vraag of deze bewezenverklaring in dit geval ook een strafbaar feit oplevert, beantwoordt de rechtbank in hoofdstuk 7.