ECLI:NL:RBMNE:2024:3825

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 juni 2024
Publicatiedatum
19 juni 2024
Zaaknummer
10553601 MC EXPL 23-3326
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17.5 Algemene voorwaarden Nederlandse Jachtbouw IndustrieArt. 6:236 sub c BWArt. 3:290 BWDexia-arrest Hof van Justitie EU 27 januari 2021, C-229/19 en C-289/19
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over retentierecht en onredelijk bezwarend beding in aannemingsovereenkomst

In deze civiele zaak tussen een consument en een aannemingsbedrijf staat de vraag centraal of het retentierecht dat het bedrijf op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden op de boot van de consument uitoefent, terecht is. De aannemingsovereenkomst betreft reparatiewerkzaamheden aan de boot.

De gedaagde beroept zich op artikel 17.5 van de algemene voorwaarden van de Nederlandse Jachtbouw Industrie, waarin een pandrecht en retentierecht wordt toegekend op zaken die onder zich zijn. De eiser, als consument, betwist dat dit beding rechtmatig is en stelt dat het onredelijk bezwarend is en onder de zwarte lijst van artikel 6:236 sub c BW Pro valt, omdat het een verdergaande bevoegdheid tot opschorting verleent dan de wet toelaat.

De kantonrechter wijst op de vaste rechtspraak dat bij consumentenovereenkomsten moet worden getoetst of algemene voorwaarden eerlijk zijn en vernietigt onredelijke bedingen. Gelet op het Dexia-arrest stelt de eiser dat het wettelijk retentierecht niet meer van toepassing is. De kantonrechter geeft de gedaagde de gelegenheid om hierop te reageren en houdt verdere beslissing aan. De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor nadere stukken en behandeling.

Uitkomst: De kantonrechter houdt de beslissing aan en verwijst de zaak voor nadere stukken en behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 10553601 \ MC EXPL 23-3326
Vonnis van 5 juni 2024
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. C.R.R. Dewindt, advocaat te Rotterdam,
tegen
[gedaagde] B.V.,
tevens handelend onder de naam [handelsnaam] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M.L. Dingemans, advocaat te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het vonnis in het incident van 18 oktober 2023;
  • de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie van [gedaagde] met de producties 1 tot en met 18;
  • de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser] met productie 22 (hernummerd);
  • de akte overlegging nadere producties van [eiser] met de producties 23 tot en met 25 (hernummerd);
  • de akte vermeerdering van eis tevens akte overlegging nadere producties van [gedaagde] met de producties 20 tot en met 22;
  • de akte overlegging producties van [eiser] met productie 26 (hernummerd);
  • de akte overlegging producties van [gedaagde] met de producties 23 en 24;
  • de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 12 april 2024.
  • de spreekaantekeningen van mr. Dewindt.
  • de spreekaantekeningen van mr. Dingemans.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Overwegingen

2.1.
Alvorens uitgebreid in te gaan op het geschil tussen partijen, zal de kantonrechter [gedaagde] in de gelegenheid stellen zich nog uit te laten over een bepaalde kwestie. De kantonrechter licht dit als volgt toe.
2.2.
Partijen hebben een (aanneem)overeenkomst gesloten in het kader waarvan [gedaagde] reparatiewerkzaamheden heeft uitgevoerd aan de boot van [eiser] . De grootste discussie tussen partijen ziet op (het antwoord op) de vraag of [gedaagde] zich terecht en op goede gronden beroept op een retentierecht ten aanzien van de boot. [gedaagde] beroept zich (onder andere) op artikel 17.5 van de op de overeenkomst van toepassing zijnde Algemene aannemings- leverings- en betalingsvoorwaarden van de Nederlandse Jachtbouw Industrie (hierna: de algemene voorwaarden). Artikel 17.5 van de algemene voorwaarden luidt:

Artikel 17: Zekerheden Pro
(…)
17.5
Opdrachtnemer heeft op alle zaken die hij uit welke hoofde ook onder zich heeft of zal krijgen en voor alle vorderingen die hij op opdrachtgever heeft of mocht krijgen ten opzichte van een ieder die daarvan afgifte verlangt een pandrecht en een retentierecht.
(…)
2.3.
Volgens vaste rechtspraak is de kantonrechter gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden in consumentenovereenkomsten. Samenvattend moet de kantonrechter in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een in de algemene voorwaarden gemaakte contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het beding worden vernietigd.
2.4.
[eiser] – ten aanzien waarvan niet in geschil is dat hij als consument moet worden aangemerkt – meent dat de bepaling onredelijk bezwarend is en heeft tijdens de mondelinge behandeling de vernietiging ervan ingeroepen. Volgens [eiser] verleent de bepaling [gedaagde] een verdergaande bevoegdheid tot retentie dan haar volgens de wet toekomt en valt het beding onder artikel 6:236 sub c BW Pro (de ‘zwarte lijst’). Artikel 6:236 onder Pro c BW luidt:

Bij een overeenkomst tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt als onredelijk bezwarend aangemerkt een in de algemene voorwaarden voorkomend beding
(…)
c. dat (…) de gebruiker een verdergaande bevoegdheid tot opschorting verleent dan hem volgens de wet toekomt;
(…)
2.5.
[eiser] stelt dat er gelet op de ratio van het Dexia-arrest (Hof van Justitie EU
27 januari 2021, gevoegde zaken C-229/19 en C-289/19, ECLI:EU:C:2021:68) geen plaats meer is voor een beroep op het wettelijk retentierecht (artikel 3:290 en Pro verder Burgerlijk Wetboek).
2.6.
[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij nog op het betoog van [eiser] wil reageren. [gedaagde] zal daartoe, in het kader van hoor en wederhoor, in de gelegenheid worden gesteld. De zaak zal worden verwezen naar de rol voor een akte aan de zijde van [gedaagde] als hiervoor omschreven.
2.7.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van
woensdag 3 juli 2024 te 11.00 uurvoor een akte aan de zijde van [gedaagde] ;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op
5 juni 2024.
13702