ECLI:NL:RBMNE:2024:3827

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 juni 2024
Publicatiedatum
19 juni 2024
Zaaknummer
C/16/571831 / HA ZA 24-123
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 1 Brussel I bisArt. 6 lid 1 EVRMArt. 30 Brussel I bisArt. 1019h RvArt. 337 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanhouding en toewijzing splitsing in auteursrechtinbreukzaak Birkenstock sandalen

Birkenstock IP GmbH en Birkenstock Global Sale GmbH vorderen in de hoofdzaak dat A.S. Watson, Ferro Footwear, Scapino Retail, [gedaagde sub 4] en Omoda stoppen met inbreuk op auteursrechten en slaafse nabootsing van Birkenstock sandalen. Parallel lopen Duitse procedures waarin het Landgericht Keulen auteursrechtelijke bescherming toekende, maar het Oberlandesgericht Keulen dit vernietigde. De Nederlandse rechter moet zelf beoordelen of de sandalen auteursrechtelijk beschermd zijn, ondanks geharmoniseerd werkbegrip.

De gedaagden vroegen aanhouding van de Nederlandse procedure totdat in Duitsland onherroepelijk beslist is. De rechtbank wijst dit af omdat de vorderingen niet samenhangend zijn in de zin van Brussel I bis artikel 30, mede doordat het om verschillende partijen en sandalen gaat. Ook zou aanhouding leiden tot onredelijke vertraging en mogelijk strijd met artikel 6 EVRM Pro.

Vervolgens vorderen de gedaagden splitsing van de hoofdzaak in afzonderlijke zaken per gedaagde. De rechtbank wijst dit toe omdat de zaken verschillen qua sandalen en partijen, behalve A.S. Watson en Ferro Footwear die samen één zaak blijven voeren. Proceskosten worden toegewezen aan de in het ongelijk gestelde partijen, met liquidatietarief en nakosten. De vier nieuwe hoofdzaken krijgen eigen zaaknummers en worden door dezelfde rechter behandeld om onverenigbare uitspraken te voorkomen.

Uitkomst: Verzoeken tot aanhouding afgewezen, hoofdzaak gesplitst in vier hoofdzaken, proceskosten toegewezen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/571831 / HA ZA 24-123
Vonnis in incidenten van 26 juni 2024
in de zaak van
1. vennootschap naar Duits recht
BIRKENSTOCK IP GMBH,
gevestigd te Linz am Rhein, Duitsland,
2. vennootschap naar Duits recht
BIRKENSTOCK GLOBAL SALE GMBH,
gevestigd te Linz am Rhein, Duitsland,
eiseressen in de hoofdzaak,
verweersters in de incidenten,
hierna samen te noemen: Birkenstock,
advocaat mr. J.C.H. van Manen te Amsterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
A.S. WATSON (HEALTH & BEAUTY CONTINENTAL EUROPE B.V.),
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: A.S. Watson ,
advocaat mr. R. Chalmers Hoynck van Papendrecht te Rotterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
FERRO FOOTWEAR B.V.,
gevestigd te Waalwijk,
gedaagde,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: Ferro Footwear,
advocaat mr. P.M. Baijense te Drunen,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SCAPINO RETAIL B.V.,
gevestigd te Groningen,
gedaagde,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: Scapino Retail,
advocaat mr. N. Ruyters te Breda,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde sub 4] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
gedaagde,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde sub 4] ,
advocaat mr. N. Ruyters te Breda,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OMODA SCHOENEN B.V.,
gevestigd te Zierikzee,
gedaagde,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaardingen met producties,
  • de incidentele conclusie tot splitsing en incidentele conclusie tot aanhouding van de
  • de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.

2.2. Kern van het geschil in de hoofdzaak

In de hoofdzaak stelt Birkenstock zich in de eerste plaats op het standpunt dat A.S. Watson , Ferro Footwear, Scapino Retail, [gedaagde sub 4] en Omoda inbreuk maken op haar auteursrechten op de Birkenstock sandalen met de namen Madrid, Arizona, Boston, Gizeh en Florida. Subsidiair beroept Birkenstock zich op slaafse nabootsing van deze sandalen.
Birkenstock vordert in de hoofdzaak daarom onder andere een gebod tot staking van het inbreuk maken op haar auteursrechten/het slaafs nabootsen van haar sandalen en schadevergoeding.

3.Duitse procedures

Birkenstock heeft ook in Duitsland procedures gestart waarin zij zich op het standpunt stelt dat er inbreuk wordt gemaakt op haar auteursrechten op de Birkenstock sandalen met de namen Madrid, Arizona, Boston, Gizeh. Zij heeft deze procedures gestart tegen Tchibo, Bestseller en Shoe.com. Deze procedures zijn gevoegd behandeld door eerst het Landgericht Keulen en daarna in hoger beroep door het Oberlandesgericht Keulen.
Het Landgericht Keulen heeft in haar vonnissen van 11 mei 2023 [2] geoordeeld dat aan de hiervoor genoemde Birkenstock sandalen auteursrechtelijke bescherming toekomt.
Het Oberlandesgericht Keulen heeft deze vonnissen echter op 26 januari 2024 vernietigd en geoordeeld dat deze Birkenstock sandalen geen auteursrechtelijk beschermde werken zijn. [3] Birkenstock heeft tegen de uitspraken van het Oberlandesgericht Keulen cassatie ingesteld bij het Bundesgerichtshof (Federale Hooggerechtshof). Die procedure loopt nog.
4. Rechtsmacht
Het gaat in de hoofdzaak om een internationaal geschil. De rechter moet daarom eerst (ambtshalve) vaststellen of hij rechtsmacht heeft in de hoofdzaak en de in dat verband opgeworpen incidenten. Dat moet in dit geval worden gedaan aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: Brussel I bis). Geoordeeld wordt dat de Nederlandse rechter op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Brussel Pro I bis rechtsmacht heeft. Alle gedaagden hebben immers woonplaats in Nederland. De rechtbank Midden-Nederland is relatief bevoegd om over het geschil in de hoofdzaak en de incidenten te oordelen. Daarover zijn partijen het eens.
5. De beoordeling van de incidenten tot aanhouding
Afwijzing van de incidentele vorderingen tot aanhouding5.1. A.S. Watson , Ferro Footwear, Scapino Retail en [gedaagde sub 4] vorderen allemaal in een door hen opgeworpen incident dat de beoordeling van de hoofdzaak wordt aangehouden totdat in de Duitse procedures bij in kracht van gewijsde gegane uitspraken (onherroepelijk) is beslist. Deze vorderingen worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Toetsingskader voor aanhouding hoofdzaak5.2. De vraag of de hoofdzaak kan worden aangehouden moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 30 Brussel Pro I bis. In het eerste lid van dat artikel is bepaald dat wanneer samenhangende vorderingen aanhangig zijn voor gerechten van verschillende lidstaten, het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak kan aanhouden. Het gaat hier om een bevoegdheid van het gerecht, en niet om een verplichting.
Geen reden voor aanhouding5.3. De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen reden voor aanhouding van de uitspraak in de hoofdzaak is, omdat geen sprake is van samenhangende vorderingen voor gerechten van verschillende lidstaten, zoals bedoeld in artikel 30 Brussel Pro I bis.
5.4.
Samenhangend in de zin van dit artikel zijn vorderingen waartussen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven (artikel 30 lid 3 Brussel Pro I bis).
5.5.
Het risico op onverenigbare beslissingen bestaat uitsluitend indien het geschil is gebaseerd op eenzelfde onderwerp, feitelijk en rechtens. Daarvan is in dit geval geen sprake, omdat:
- de Duitse procedures zijn gericht tegen andere gedaagden dan in de bij deze
rechtbank aanhangige zaak,
- het in de Duitse procedures gaat om andere sandalen die inbreuk zouden maken op
de door Birkenstock gestelde auteursrechten.
5.6.
De enige overeenkomst tussen de Duitse procedure en de Nederlandse procedure is dat in allebei de zaken eerst zal moeten worden beoordeeld of de Birkenstock sandalen auteursrechtelijk beschermd zijn of niet.
5.7.
Dit betekent, anders dan A.S. Watson , Ferro Footwear, Scapino Retail en [gedaagde sub 4] aanvoeren, echter niet dat sprake is van samenhangende vorderingen zoals bedoeld in artikel 30 Brussel Pro I bis.
5.7.1.
In de Duitse procedure gaat het om schending van Duitse auteursrechten van Birkenstock sandalen. De vraag of daarvan sprake is zal aan de hand van het Duitse auteursrecht moeten worden beoordeeld.
In de bij deze rechtbank aanhangige procedure (de Nederlandse procedure) gaat het om schending van Nederlandse auteursrechten op Birkenstock sandalen. De vraag of daarvan sprake is zal aan de hand van het Nederlandse auteursrecht moeten worden beoordeeld.
5.7.2.
Het auteursrechtelijk werkbegrip is, zoals A.S. Watson , Ferro Footwear, Scapino Retail en [gedaagde sub 4] terecht aanvoeren, geharmoniseerd. Die harmonisatie houdt echter alleen in dat de lidstaten van de Europese Unie (zoals Duitsland en Nederland) allemaal aan de hand van hetzelfde criterium moeten beoordelen of het aan de orde zijnde voorwerp een auteursrechtelijk beschermd werk is of niet.
Dit criterium houdt in dat van een auteursrechtelijk beschermd werk sprake is wanneer het voorwerp (in dit geval de Birkenstock sandalen):
i. voldoende nauwkeurig en objectief kan worden geïdentificeerd, en
ii. oorspronkelijk is, in die zin dat het gaat om een eigen intellectuele schepping van de auteur.
Als het voorwerp aan deze twee cumulatieve vereisten voldoet, dan moet het door het auteursrecht beschermd worden. Andere eisen mogen door de auteursrechtwetgeving van de lidstaten van de Europese Unie (onder wie Duitsland en Nederland) niet worden gesteld.
5.7.3.
De feitelijke invulling/toepassing/waardering van dit criterium door de rechter van een lidstaat is niet geharmoniseerd. De rechters in de verschillende lidstaten zullen zich een zelfstandig oordeel moeten vormen over de vraag of aan het criterium zoals genoemd in 5.7.2. is voldaan of niet. Dat zullen zij moeten doen aan de hand van het voor hem/haar gevoerde partijdebat en de in de zaak vaststaande feiten en omstandigheden.
Dit heeft onder andere tot gevolg dat, zoals Birkenstock aanvoert, de Nederlandse rechter niet gebonden is aan het oordeel van de Duitse rechter over de auteursrechtelijke bescherming van de Birkenstock sandalen.
5.7.4.
Er is ook geen sprake van onverenigbare beslissingen als de Duitse rechter zou oordelen dat er geen Duitse auteursrechten rusten op de Birkenstock sandalen, en de Nederlandse rechter zou oordelen dat er wel Nederlandse auteursrechten op diezelfde Birkenstock sandalen rusten. Dit is immers inherent aan het feit dat de rechters van de lidstaten zich een zelfstandig oordeel moeten vormen over de vraag of aan het geharmoniseerde werkbegrip (zie 5.7.2.) is voldaan of niet.
5.8.
Dan speelt nog een rol dat de aanhouding van de uitspraak in de bij deze rechtbank aanhangige zaak tot een onredelijke vertraging voor Birkenstock zou leiden, welke vertraging mogelijk ook in strijd zou kunnen zijn met artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Het is aannemelijk dat de Duitse procedures nog jarenlang kunnen duren. Mogelijk wacht het Bundesgerichtshof eerst het oordeel van het Hof van Justitie van de Europese Unie af in de zaken Mio (C-580/23) en USM Haller (C-795/23). Dat ligt voor de hand aangezien het Bundesgerichtshof die laatste zaak zelf heeft verwezen. Het is verder mogelijk dat de zaak na het arrest van het Bundesgerichtshof nog niet tot een einde komt en dat de zaak zal worden terugverwezen naar het Oberlandesgericht. Ook tegen het nieuwe oordeel van het Oberlandesgericht staat dan weer cassatie open.
5.9.
De conclusie is dat er geen reden is voor aanhouding van de hoofdzaak totdat in de Duitse procedures onherroepelijk is beslist. De incidentele vorderingen tot aanhouding worden daarom afgewezen.
Proceskosten (inclusief nakosten)5.10. A.S. Watson , Ferro Footwear, Scapino Retail en [gedaagde sub 4] worden als de in het incident in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Birkenstock veroordeeld. Birkenstock vordert haar volledige kosten in dit incident op grond van artikel 1019h Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Birkenstock heeft echter nagelaten om te vermelden hoeveel deze kosten bedragen, laat staan dat zij deze kosten gemotiveerd heeft onderbouwd. Daarom zal worden aangesloten bij het liquidatietarief. Dat tarief bedraagt
€ 614,- (tarief II). [4] Ook zullen bovengenoemde partijen worden veroordeeld tot betaling van de nakosten van Birkenstock, aangezien deze kosten volgens rechtspraak van de Hoge Raad onderdeel uitmaken van de proceskosten. Deze nakosten hoeven daarom niet uitdrukkelijk te worden gevorderd. Deze kosten bedragen € 178,- plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld.
De proceskostenveroordeling wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat dit niet door Birkenstock is gevorderd.
Geen tussentijds hoger beroep5.11. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat van een tussenvonnis slechts tegelijk met het eindvonnis hoger beroep kan worden ingesteld (artikel 337 lid 2 Rv Pro). Het verzoek van A.S. Watson , Ferro Footwear, Scapino Retail en [gedaagde sub 4] om tussentijds hoger beroep open te stellen wordt daarom afgewezen.

6.De beoordeling van de incidenten tot splitsing6.1. A.S. Watson , Ferro Footwear, Scapino Retail en [gedaagde sub 4] vorderen allemaal in een door hen opgeworpen incident dat de hoofdzaak wordt gesplitst in verschillende hoofdzaken. Deze vorderingen worden op de hierna te noemen manier toegewezen.

6.2.
Er is in dit geval feitelijk sprake van vijf verschillende hoofdzaken, namelijk de zaak tussen:
1. Birkenstock en A.S. Watson ,
2. Birkenstock en Ferro Footwear,
3. Birkenstock en Scapino Retail,
4. Birkenstock en [gedaagde sub 4] , en
5. Birkenstock en Omoda.
6.3. Birkenstock heeft tegen al deze vijf gedaagden zelfstandige vorderingen ingesteld. De grondslag voor deze vorderingen is hetzelfde, namelijk primair inbreuk op auteursrechten van Birkenstock en subsidiaire slaafse nabootsing.
6.4.
De sandalen die volgens Birkenstock inbreuk maken op haar auteursrechten of slaafs zijn nagebootst zijn voor iedere gedaagde (met uitzondering van A.S. Watson en Ferro Footwear) verschillend.
6.5.
De rechtbank is daarom van oordeel dat het niet doelmatig is om deze vijf hoofdzaken gezamenlijk te behandelen. De enige overlap is de vraag of de Birkenstock sandalen auteursrechtelijk zijn beschermd of niet. Voor het overige (onder andere over de beoordeling van de inbreukvraag en de vraag of sprake is van slaafse nabootsing) verschillen de zaken van elkaar. Dat is alleen anders in het geval van A.S. Watson en
Ferro Footwear (de leverancier waarvan A.S. Watson de gestelde inbreuk makende sandalen heeft afgenomen). In die zaken gaat het wel om dezelfde gestelde inbreuk makende sandalen. Die twee partijen vorderen ook dat hun zaken samen in één zaak wordt behandeld. De rechtbank zal daarom de zaak splitsen in de volgende vier hoofdzaken:
1. Birkenstock tegen A.S. Watson en Ferro Footwear,
2. Birkenstock tegen Scapino Retail,
3. Birkenstock tegen [gedaagde sub 4] , en
4. Birkenstock tegen Omoda.
Iedere hoofdzaak zal een eigen zaak- en rolnummer krijgen, waarbij de zaak zoals vermeld onder nummer 1, zal verder gaan onder het huidige zaak- en rolnummer.
In iedere hoofdzaak zal door de eisende en de gedaagde partij griffierecht moeten worden betaald.
Deze vier hoofdzaken zullen wel allemaal door dezelfde rechter worden behandeld. Dit om te voorkomen dat er onverenigbare uitspraken worden gedaan over de vraag of sprake is van auteursrechtelijke bescherming van de Birkenstock sandalen.
Proceskosten (inclusief nakosten)6.6. Birkenstock wordt als de in de incidenten tot splitsing in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld van A.S. Watson , Ferro Footwear, Scapino Retail en [gedaagde sub 4] . Omdat het om een zeer eenvoudig/niet bewerkelijk incident gaat, zal worden aangesloten bij het liquidatietarief. Overigens moet er ook bij dit tarief worden aangesloten, omdat bovengenoemde partijen niet hebben vermeld om welk bedrag aan volledige proceskosten het gaat, laat staan dat zij dit gemotiveerd hebben onderbouwd. Het liquidatietarief bedraagt € 614,- (tarief II).
Ook zal Birkenstock worden veroordeeld tot betaling van de nakosten van bovengenoemde partijen. Deze kosten bedragen € 178,- plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld. Verder zal worden toegewezen de door bovengenoemde partijen gevorderde wettelijke rente over de proceskosten (en nakosten).
De proceskostenveroordeling, zoals door bovengenoemde partijen gevorderd, zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

7.Het verdere verloop van de vier hoofdzaken

De hoofdzaken zoals genoemd in 6.5. onder 1 tot en met 3 zullen naar de rol van
7 augustus 2024 worden verwezen voor het nemen van een conclusie van antwoord.
De hoofdzaak zoals genoemd in 6.5. onder 4 (waarin verstek is verleend) zal worden aangehouden totdat er in de andere drie hoofdzaken eindvonnis zal worden gewezen.

8.De beslissing

De rechtbank
in de incidenten tot aanhouding
8.1.
wijst het verzoek om aanhouding af,
8.2.
veroordeelt A.S. Watson in de proceskosten van Birkenstock van € 792,00
(€ 614,00 + € 178,00) te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als A.S Watson niet tijdig het hiervoor genoemde bedrag voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
8.3.
veroordeelt Ferro Footwear in de proceskosten van Birkenstock van € 792,00
(€ 614,00 + € 178,00) te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Ferro Footwear niet tijdig het hiervoor genoemde bedrag voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
8.4.
veroordeelt Scapino Retail in de proceskosten van Birkenstock van € 792,00
(€ 614,00 + € 178,00) te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Scapino Retail niet tijdig het hiervoor genoemde bedrag voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
8.5.
veroordeelt [gedaagde sub 4] in de proceskosten van Birkenstock van € 792,00
(€ 614,00 + € 178,00) te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 4] niet tijdig het hiervoor genoemde bedrag voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
8.6.
wijst het verzoek om tussentijds hoger beroep tegen dit vonnis in incident open te stellen af,
in de incidenten tot splitsing
8.7.
splitst de hoofdzaak in de volgende vier hoofdzaken:
1. Birkenstock tegen A.S. Watson en Ferro Footwear,
2. Birkenstock tegen Scapino Retail,
3. Birkenstock tegen [gedaagde sub 4] , en
4. Birkenstock tegen Omoda.
8.8.
bepaalt dat:
- iedere hoofdzaak een eigen zaak-en rolnummer krijgt, en dat de in 8.7. onder 1
genoemde zaak verder gaat onder het huidige zaak- en rolnummer,
- in iedere hoofdzaak door de eisende en de gedaagde partij griffierecht moet worden
betaald,
8.9.
veroordeelt Birkenstock in de proceskosten van A.S. Watson van € 792,00
(€ 614,00 + € 178,00) te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Birkenstock niet tijdig het hiervoor genoemde bedrag voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
8.10.
veroordeelt Birkenstock tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten zoals genoemd in 8.9. als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
8.11.
veroordeelt Birkenstock in de proceskosten van Ferro Footwear van € 792,00
(€ 614,00 + € 178,00) te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Birkenstock niet tijdig het hiervoor genoemde bedrag voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
8.12.
veroordeelt Birkenstock tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten zoals genoemd in 8.11. als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
8.13.
veroordeelt Birkenstock in de proceskosten van Scapino Retail van € 792,00
(€ 614,00 + € 178,00) te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Birkenstock niet tijdig het hiervoor genoemde bedrag voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
8.14.
veroordeelt Birkenstock tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten zoals genoemd in 8.13. als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
8.15.
veroordeelt Birkenstock in de proceskosten van [gedaagde sub 4] van € 792,00
(€ 614,00 + € 178,00) te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Birkenstock niet tijdig het hiervoor genoemde bedrag voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
8.16.
veroordeelt Birkenstock tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten zoals genoemd in 8.15. als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
8.17.
verklaart de onderdelen 8.9. tot en met 8.16. uitvoerbaar bij voorraad
in de vier hoofdzaken8.18. verwijst de hoofdzaken zoals genoemd in 6.5. onder 1 tot en met 3 naar de rol van
7 augustus 2024voor het nemen van een conclusie van antwoord,
8.19.
houdt de hoofdzaak zoals genoemd in 6.5. onder 4 aan totdat in de hoofdzaken zoals genoemd in 6.5. onder 1 tot en met 3 eindvonnis wordt gewezen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op
26 juni 2024. [5]

Voetnoten

1.In deze conclusie heeft Birkenstock haar vorderingen op Van Haren Schoenen B.V. (gedaagde 3 in de
2.Productie 9a van Birkenstock
3.Er zijn drie uitspraken gewezen. Deze uitspraken zijn als productie 9b door Birkenstock in het geding
4.Hierbij wordt aangesloten bij de Indicatietarieven IE.
5.type: 4373 BvdG