Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.De procedure
- de nagekomen producties 15 t/m 18 van COA
- de producties 1 t/m 3 van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 11 juni 2024
- de pleitnota van COA
- de pleitnota van [gedaagde] .
Rechtbank Midden-Nederland
In deze zaak staat centraal of een vreemdeling, die tijdelijk niet mag worden uitgezet en een lopende bezwaarprocedure heeft, recht heeft op opvang in een asielzoekerscentrum (AZC) en daarmee de ruimte die hij in gebruik heeft niet hoeft te ontruimen.
De vreemdeling kampt met medische problemen en heeft op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet Pro (Vw) uitstel van vertrek gekregen tot februari 2024. Zijn recht op opvang eindigde op 6 maart 2024, waarna COA de ontruiming van de ruimte vorderde. De vreemdeling heeft echter een voorlopige voorziening gekregen die de rechtsgevolgen van een afwijzend besluit opschort, waardoor hij voorlopig niet kan worden uitgezet.
De rechtbank stelt dat het recht op opvang niet herleeft door het nieuwe verzoek om uitstel van vertrek, maar dat de voorlopige voorziening feitelijk een analoge situatie schept met een vreemdeling die op grond van artikel 64 Vw Pro uitstel heeft. Daarom is het niet aannemelijk dat COA in een bodemprocedure zal winnen en wordt de vordering tot ontruiming afgewezen.
COA wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en op 25 juni 2024 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De vordering van COA tot ontruiming van de ruimte in het AZC wordt afgewezen en COA wordt veroordeeld in de proceskosten.