ECLI:NL:RBMNE:2024:3962

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 juni 2024
Publicatiedatum
28 juni 2024
Zaaknummer
10678718
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens ontbreken aanvullende onderhuurovereenkomst opslagruimte

In deze zaak stond centraal de vraag of partijen een aanvullende mondelinge onderhuurovereenkomst hadden gesloten voor 1.496 m² extra opslagruimte met ingang van 1 augustus 2023. Eiseres stelde dat dit het geval was, terwijl gedaagde dit betwistte.

Eiseres heeft geprobeerd haar stelling te bewijzen met twee e-mailberichten van een makelaar, waarin echter geen concrete bevestiging of details over het tot stand komen van de overeenkomst werden gegeven. De kantonrechter oordeelde dat deze e-mails onvoldoende waren om met redelijke mate van zekerheid vast te stellen dat er een aanvullende overeenkomst was gesloten.

Daarmee is vastgesteld dat er per 1 augustus 2023 geen onderhuurovereenkomst voor de extra opslagruimte tot stand is gekomen. Dit betekent dat de grondslag voor de vorderingen van eiseres ontbreekt en deze worden afgewezen.

Eiseres is in het ongelijk gesteld en veroordeeld tot betaling van de proceskosten van gedaagde, begroot op € 2.510,00, te vermeerderen met nakosten en kosten van betekening indien niet tijdig voldaan wordt.

Uitkomst: Vordering afgewezen wegens ontbreken aanvullende onderhuurovereenkomst; eiseres veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 10678718 \ LC EXPL 23-1946
Vonnis van 26 juni 2024
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. T.B. van Dreumel,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M.W.G. Versendaal.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:
- het tussenvonnis van 3 april 2024 en de daarin genoemde stukken
- de akte van [eiseres] van 1 mei 2024 met productie 12
- de antwoordakte van [gedaagde] .
1.2.
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.

2.De verdere beoordeling

Het tussenvonnis van 3 april 2024
2.1.
In deze zaak staat de vraag centraal of er tussen partijen een aanvullende (mondelinge) overeenkomst tot stand is gekomen voor de onderhuur van 1.496 m² aan extra opslagruimte. [eiseres] meent van wel en [gedaagde] meent van niet.
2.2.
De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 3 april 2024, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij dit tussenvonnis is [eiseres] in de gelegenheid gesteld om nader bewijs te leveren van haar stelling dat partijen eind februari / begin maart 2023 mondeling een aanvulling op de onderhuurovereenkomst zijn overeengekomen, die inhoudt dat [gedaagde] met ingang van 1 augustus 2023 1.496 m² aan extra opslagruimte onderhuurt tegen betaling van een huurprijs overeenkomstig de tussen partijen geldende vierkantemeterprijs. Op 1 mei 2024 heeft [eiseres] een akte genomen en vervolgens is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Bij akte van 29 mei 2024 heeft [gedaagde] daarop gereageerd.
Waarom is [eiseres] niet geslaagd in haar bewijsopdracht?
2.3.
[eiseres] heeft aan de voornoemde bewijsopdracht uitvoering gegeven door bij haar akte twee e-mailberichten van 29 april 2024 om 14:33:32 uur en om 14:39.37 uur van mevrouw [A] van Makelaardij [naam] (hierna: [A] ) aan de heer [B] (hierna: [B] ) van [eiseres] in het geding te brengen.
2.4.
Hierna zal de kantonrechter het door [eiseres] geleverde bewijs waarderen, waarbij als toetsingskader geldt dat de door [eiseres] gestelde feiten (pas) bewezen zijn, als er sprake is van een redelijke mate van zekerheid daarvan.
2.5.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] niet geslaagd is in haar bewijsopdracht en wel om het volgende.
2.6.
[A] heeft in haar eerste e-mailbericht van 29 april 2024 om 14:33:32 uur enkel verklaard dat ‘
Wat in het onderstaande bericht staat en klopt, zo hebben we met [gedaagde] aan tafel gezeten en het besproken’. Het onderstaande bericht waarnaar [A] in haar e-mailbericht heeft verwezen zijn de bewoordingen van [B] zelf over hoe het tijdspad volgens hem was verlopen, maar dat zijn niet de bewoordingen en/of waarnemingen van [A] zelf. [A] heeft in het geheel niets verklaard over het moment waarop de mondelinge onderhuurovereenkomst voor de extra opslagruimte definitief tot stand zou zijn gekomen. Ook heeft [A] verder niets verklaard over wanneer en hoe vaak zij [gedaagde] heeft gesproken over het huren van de extra opslagruimte, wat er tijdens die gesprekken is besproken, welke toezeggingen er zouden zijn gedaan door [gedaagde] over het huren van de extra opslagruimte en onder welke voorwaarden de extra opslagruimte gehuurd zou worden. Uit dit e-mailbericht van [A] volgt geenszins dat eind februari / begin maart 2023, zoals [eiseres] stelt, tussen partijen een aanvullende mondelinge onderhuurovereenkomst voor de extra opslagruimte van 1.496 m² per 1 augustus 2023 tot stand is gekomen.
2.7.
Ook het aanvullend e-mailbericht van [A] van 29 april 2024 om 14:39:37 uur biedt geen steun aan het standpunt van [eiseres] . In de eerste plaats zegt [A] in het e-mailbericht alleen ‘
Onderstaande bericht klopt zo hebben we het met elkaar besproken, [C] wilde het zo.’. Vervolgens komt er een opsomming van kennelijk interne notities van [eiseres] . Nog los van het feit dat de opsomming niet de bewoordingen en/of waarnemingen van [A] zelf zijn, volgt daarnaast uit die opsomming ook niet dat er tussen partijen eind februari / begin maart 2023 een mondelinge overeenkomst voor de extra opslagruimte per 1 augustus 2023 tot stand is gekomen.
2.8.
Het bovenstaande brengt mee dat [eiseres] er niet in is geslaagd om te bewijzen dat partijen eind februari / begin maart 2023 mondeling een aanvullende onderhuurovereenkomst zijn overeengekomen, die inhoudt dat [gedaagde] met ingang van 1 augustus 2023 1.496 m² aan extra opslagruimte onderhuurt tegen betaling van een huurprijs overeenkomstig de tussen partijen geldende vierkantemeterprijs. De kantonrechter stelt dan ook vast dat tussen partijen per 1 augustus 2023 geen onderhuurovereenkomst voor de extra opslagruimte van 1.496 m² tot stand is gekomen. Alle vorderingen van [eiseres] worden afgewezen, omdat de grondslag daarvoor – de onderhuurovereenkomst voor de extra opslagruimte – is komen te ontvallen. Dit betekent dat [gedaagde] niets aan [eiseres] hoeft te betalen.
Waarom moet [eiseres] de proceskosten betalen?
2.9.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
2.375,00
(2,5 punten × € 950,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.510,00

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
3.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.510,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de kostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart de kostenveroordeling onder 3.2. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op
26 juni 2024.
HHt/37278