ECLI:NL:RBMNE:2024:4060
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen het besluit tot weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Eiser, werkzaam als taxichauffeur, meldde zich op 12 maart 2020 ziek en vroeg na de wachttijd van twee jaar een WIA-uitkering aan. Het UWV besloot op 25 april 2022 dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen uitkering krijgt. Dit besluit werd bevestigd bij bezwaar op 23 mei 2023. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde of het UWV de wet correct had toegepast en of het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig en volledig was. De verzekeringsarts had dossieronderzoek gedaan, was aanwezig bij de hoorzitting en had haar conclusies op een begrijpelijke en consistente wijze gemotiveerd. Het ontbreken van eigen fysiek onderzoek werd niet als onzorgvuldig beoordeeld.
Eiser voerde aan dat zijn beperkingen onderschat waren en dat er onvoldoende rekening was gehouden met zijn psychische en lichamelijke klachten, waaronder PTSS, hartklachten, diabetes en gevolgen van een COVID-infectie. De rechtbank vond echter dat de verzekeringsarts deze beperkingen wel degelijk had meegewogen en dat het medisch beeld op de datum in geding voldoende was vastgesteld.
De arbeidskundige beoordeling werd eveneens gevolgd, waarbij de functies passend werden geacht binnen de belastbaarheid van eiser. De rechtbank concludeerde dat het UWV terecht geen WIA-uitkering toekende en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen is ongegrond verklaard.