De werknemer, werkzaam bij een payrollbedrijf en tewerkgesteld bij de werkgever, was ingeroosterd voor aanwezigheidsdiensten waarbij zij in haar appartement op locatie moest verblijven en bereikbaar moest zijn. Zij vorderde betaling van alle uren die zij tijdens deze diensten had gewerkt, stellende dat zij 227 extra uren had gemaakt die niet waren doorgegeven aan haar werkgever.
De werkgever betwistte dat de aanwezigheidsdiensten volledig als arbeidstijd moesten worden aangemerkt, omdat de werknemer tijdens deze diensten meestal geen werkzaamheden verrichtte en slechts een vergoeding van vijf uur per dienst ontving. De kantonrechter overwoog dat arbeidstijd volgens de Arbeidstijdenrichtlijn de tijd is waarin de werknemer daadwerkelijk werkt of ter beschikking staat, waarbij ook de mate van vrijheid om de tijd zelf in te delen een rol speelt.
De rechtbank stelde vast dat de werknemer tijdens de aanwezigheidsdiensten weliswaar op locatie moest verblijven en bereikbaar moest zijn, maar dat zij voldoende gelegenheid had om haar tijd vrij in te delen en te slapen. De ervaren stress werd vooral toegeschreven aan de dreiging haar appartement te verliezen, niet aan de werkzaamheden zelf. De vergoeding van vijf uur per dienst werd als een redelijke compensatie gezien.
Daarom werd niet aangenomen dat alle uren van de aanwezigheidsdiensten als arbeidstijd moesten worden beschouwd en werd de vordering tot betaling van achterstallig salaris afgewezen. Ook de proceskosten werden grotendeels aan de werknemer opgelegd, met uitzondering van de advocaatkosten.