Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die de zaak met nummer 11067318 behandelde, stellende dat de rechter partijdig was vanwege een verkeerde houding en toon tijdens de zitting. De rechter ontkende vooringenomenheid en gaf aan dat het wrakingsverzoek plotseling kwam tijdens de uitleg van het geschil.
De wrakingskamer onderzocht het verzoek op basis van het proces-verbaal van de zitting van 29 mei 2024 en concludeerde dat daaruit geen aanwijzingen voor partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter blijken. De subjectieve indruk van verzoeker was onvoldoende om een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid aan te nemen.
Daarnaast werd een schriftelijke nadere toelichting van verzoeker op 26 juni 2024 te laat ingediend geacht en niet als nadere toelichting maar als nieuwe wrakingsgronden beoordeeld, die niet toegelaten konden worden. De wrakingskamer verklaarde het verzoek daarom ongegrond en bepaalde dat de procedure in de oorspronkelijke stand wordt voortgezet.